Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
145
Bij weinige windassen heett de omwenteling door middel vaneen touw plaats,
Eooals wij zoo even aannamen. Dan eens bevinden zich aan het rad handspa-
ken, zooals bij de braadspeten (zie fig 63), op de schepen in gebruik, teneinde
Fg, 63.
Fig. 64.
het anker op te winden; dan eens is de kracht
aan eene kruk werkzaam, zooals bij de koffijmo-
lens, shjpsteenen, enz.; dan eens weder beweegt
zich de spil niet horizontaal, zooals in fig. 61 en
63 is aangewezen, maar staat zij regt overeind,
zooals bij den kaapstander Bij al dezesoor-
ten van windassen onderzoeke men, hoe ver de
kracht a (fig. 63 en 64) van het middelpunt der
beweging b werkt; daarna mete men de halve
dikteder spil, om welke het touw zich windt, en
de betrekking tusschen die beide getallen zal ook
wcnler de betrekking van de magt tot den last
aangeven. Immers de kracht a doorloopt in al
die gevallen den omtrek
eens cirkels, en werkt dus
eveneens als het touw in
fig. 61 aan het rad bc.
Eene merkwaardige en
vernuftige toepassing der
werking van het windas
vindt men in het rader-
gestel van een horologie
De raderen worden hierin
bewogen door de kracht,
waarmede eene, evenals
een lint tipgewondene, stalenveêr
zich tracht te ontwinden. De
veér ligt in eeuen cilinder of trom-
mel ab (fig. 65), welken zij door
hare spankracht rondvoert; aan
deze isin e eene ketting eed vast-
gehaakt , die door genoemde
ronddraaijing van den cilinder,
er om wordt opgewonden, en daar zij met het andere einde m aan eene spi
liƒ, de snek of kettingspil genoemd, bevestigd is, zoo voert zij op hare beurt
deze spil rond. Dewijl de veêr, als zij pas is opgewonden, meer kracht op de
kettingspil of het snekrad uitoefent dan eenigen tijd later, wanneer zij minder
is gespannen, zou hierdoor de zoo noodzakelijk eenparige beweging verloren
gaan. In dat gebrek voorziet echter het snekrad hf. Het bestaat namelijk uit
eene spil, die van lx)ven in g het dunste is en trapswijze tot in m in dikte of
6'
Fig. 65.