Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
m
Fig. 61.
VIJF EN TWINTIGSTE LES.
Het windas. De katrol.
Als men de werking van den hefboom wel beziet, valt het in het oog, dat men
meestal de armen niet door eene groote ruimte bewegen kan. In fig. 51, bij
voorbeeld, kan het einde 6 slechts tot in d dalen, en de werking is vooreerst ge-
ëindigd. Somtijds echter heeft men bij het tillen of verplaatsen van lasten eene
voortdurende beweging noodig, zooals bij het ligten vaneen anker, het ophalen
van steenkolen en steenen uit de mijnen, het slepen van schepen op de helling,
enz. Ten einde zulk een' voortdurend werkenden hefboom te verkrijgen, ge-
bruikt meu een rad 6 c (fig. 61), draaijeude om eene daaraan verbondene spil d e.
Om het rad is een touw ck gewonden, waar-
aan de kracht k werkt. Insgelijks ligt een an-
der touw// om de spil de; maar in eene rigting,
tegenovergesteld aan die van het eerstgenoemde
touw; aan dit laatste is de last / verhouden.
Alle werktuigen nu- op deze of dergelijke wijze
ingerigt, noemt men windassen.
Gij bemerkt uit dit zamenstel, dat de spil de
en het rade 6 in gelijken tijd eene omwenteling
volbrengen. Is derhalve het groote rad cb 3
el, en de spil 3 palm iu omtrek, zoo heeft de
kracht k, bij ééne omwenteling, eenen 10 maai
grooteren weg doorloopen dan de last/. De snelheden staan bij gevolg totelk-
ander in reden als de omtrekken en ook, volgens het vroeger aangeduide, als
de middellijnen of de stralen der omtrekken van as en spil. De snelheid der
magt 10 maal zoo groot zijnde als die van den last, zoo zal de eerste 10
maal kleiner dan de laatste behooren te zijn om evenwigt te maken, dat is, l
pond in k zal met 10 pond in / in evenwigt zijn.
Fig, 62.
De waarheid hiervan blijkt ook duidelijk uit
de beschouwing van fig. 62. Laat ac bg de om-
trek zijn van het groote rad, in fig. 61 en defh
die van de spil. Terwijl de magt ^ in a werkt,
hangt de last / als tegenwigt in f; men ziet
dus den hefboom a mf ontstaan, welks onver-
anderlijk punt of rustpunt in m ligt, en welks
beide armen de halve middellijnen am en mf
van rad en spil zijn. Gedurende de beweging
blijft deze hefboom bestaan, en daar in dezen
magt tot last is als mf tot ma, dus ook als
deomtrekken defh eu ac hg, dat is in ons geval als 3 tot 30, ofl tot 10, zoo
zien Wij het vermelde volkomen bevestigd.