Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
109
Er zijn oikelvoudige en zamengestelde werktuigen. Enkelvoudige zijn dezul-
ken, bij welke geene deelen worden gevonden, die op zich zelveii weder werk-
tuigen ziju; zamengestelde daarentegen, die uit meer aan elkander verbondene
werktuigen bestaan.
Tot de enkelvoudige werktuigen behooren behalve de touwen, die men er ook
wel onder rekent:
de heflioom,
het windas,
de katrol,
het hellend vlak, ^
de wig en
de schroef.
Op deze werken naar omstandigheden de kracht van den wind, van stroomend
of vallend water, de krachten van menschen en dieren, enz.
Bedenkt wel, dat men al deze krachten, door ponden kan uitdrukken. Meu
kan, bijvoorbeeld, eene glasi-uit met een zeker gewigt bezwaren, zoo lang tot zij
breekt. Hetzelfde kan de drukking der hand te weeg brengen. In beide ge-
vallen waren er krachten werkzaam: de zwaartekracht en de drukkende kracht
der hand. Gij bemerkt hieruit, dat men iu plaats van de laatste het aantal jkui-
den zoude kunnen stellen, dat een gelijk verinogen als deze bezit. Eveneens «a!
meu met de overige bovengenoemde natuurkrachten kunnen bandelen. Indien
zin moet in het vervolg de uitdrukking hondertl of duizend pond kracht ver-
staan worden; en als over de grootte der kracht wordt gesproken, moet men
slechts aan de ponden denken, die men er voor in plaats zou kunnen stellen.
Alzoo blijft alles, wat in de 15'^® les over de hoeveelheid van heweging is gezegd,
volmaakt van toepassing. Ook hier zal dan de grootte der kracht in ponden
uitgedrukt, met de snelheid of den w^g, dien zij in zeker tijddeel aflegt, ver-
menigvuldigd, de maat zijn, waarmede men verschillende krachten met elkan-
der kan vergelijken. Men zou dit product tien naam van hoeveelheid van kracht
kunnen geven.
Beginnen wij met de beschouwing van den hefboom.
Een hefboom is een regte of omgebogen balk, stt>k of staaf a 6 (fig. 49) van
hout of metaal, welke, o]> ecu zeker
Fig- 49. puntrrustenile, om tlat punt kan rontl-
bewogen worden, zoodat beide einden
^ ^ a en 6 den omtrek eens cirkels beschrij-
ven. Legt men een liniaal met het
eene einde op de tafel, het andere er
buiten, en doet men het om den rand of den scherpen kant van het tafelblad
wentelen, zoo heeft men eene juiste voorstelling van een' hefboom. Denkt meu
alle dikte eu zwaarte van zulk een' hefboom weg, tlaii iioenit men hem een'
mathematischen of wiskunstigen hefljoom, terwijl Inj, zooals Inj in hetdagelijksch
Hf