Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
115
tot in l, en is het dus laatste kwartier, zoo trekt zij het water iu het punt »in
de hoogte, en versnelt eenigermate den loop der aarde, zoodat het water iu g,
tegenover/, tengevolge der traagheid, gedeeltelijk achter hlijft, en dus inhvn
k wegvloeit. Ook in dezen stand hebben derhalve twee tegenover elkander lig-
gende aardstreken g ent vloed, en twee andere U en k ebbe. Bevindt zich de
maan in v, en is het dus volle maan, dan verklaart zich de ebbe iu g en i en de
vloed in h en k als van zelve. Komt eindelijk de maan in c, dat is, heeft men
eerste kwartier, zoo vertraagt zij eenigermate den loop der aarde, het water iu
g optrekkende; in i heeft evenwel het water neiging om, ten gevolge der traag-
heid vooriiit te gaan, het vloeit bij h en k weg, en dus heeft men ook in dicii
stand aan twee zijden ebbe, en op twee plaatsen vloed. Het is duidelijk, dat de
beweging der aarde om zich zelve, die bij den stand van nieuwe maan vermehl
is, voor alle standen dezelfde blijlt, en men derhalve, waar zij zich ook bevinden
moge, om de zes uren ebbe en vloed zal hebben.
Waarom bij nieuwe en volle maan een buitengewoon hooge of springvloed
plaats heeft, en bij eerste en laatste kwartier slechts een zwakke vloed, ver-
klaart zich gemakkelijk. Bij nieuwe en volle maan wordt het stijgen des waters
op de plaatsen k eu h versterkt, door de aantrekkingskracht der zon aan de
eene, en de middelpuntvliedende kracht aan de andere zijde; terwijl bij eerste
en laatste kwartier juist door diezelfde krachten het sterk afloopen van het wa-
ter in k en h wordt tegengewerkt, waardoor er dan ook in g en i geen sterke
vloed kan plaats grijpen. Nog moet ik aanmerken, dat er, volgens het berede-
neerde, ebbe zal plaatshebben, wanneer de maan in den horizont, en vloed, wan-
neer zij vlak in het zuiden of noorden staat. Evenwel is dit zoo niet: de vloed
komt doorgaans later. Dit ontstaat daaruit, dat het water door eilanden en
zeeëngten in zijnen vrijen loop wordt belemmerd.
Het is de beschreven beweging van het water, die den mensch al weder vele
genoegens en voordeelen oplevert, want door het gepast gebruik maken van ebbe
en vloed weet hij den loop der schepen te bespoedigen, het varen over ondiep-
ten, die aan den ingang van sommige havens liggen, mogelijk te maken, het
aanlanden en uitvaren te bevorderen. Ook dient deze beweging aan sommige
volken in het Noorden tot verkrijging van drijfhout, aau de kusten van Pruis-
senter inzameling van barnsteen, en werkt zij ook in het algemeen het bederf
van het water tegen.
EEN EN TWINTIGSTE LES.
I De mededecliog \an beweging. De botsing der ligchamen.
Werking en terugwerking.
In de vijftiende les is aangewezen, wat men door hoeveelheid van beweging
verstaat; zij is de maat voor de kracht, die door bewegende ligchamen wordt