Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
u
wordt, naar die mate zal het ligchaam zich langzamer langs het hellend vlak
bewegen; en hoe grooter de helling van b c tot bd is; of hoe grooter de hoek cbd
wordt, hoe meer de beweging in snelheid nabij die van den regtstandigen val
zal zijn, zooals dit ook blijkt uit de figuren 28 en 29: in deze toch is a e(fig. 23)
gehjk c d (fig. 29), dat is, de zwaartekracht is gelijk, en toch is de kracht rt ^r in
fig 28 veel grooter dan ce in fig. 29. Was, om een voorbeeld te geven, de lijn
cd (fig. 29) 1 })alm lang en de lengte bc van de helling 49 palm, dan zoude een
ligchaam, op zulk een hellend vlak, in de eerste seconde 1 palm wegs afleggen.
AVant c c is in c d 49 maal begrepen; daar lui een vrijvallend ligchaam in de
seconde 49 palm aflegt, zoo zal dat, langs het vlak b c, het 49®'® gedeelte, dat is
1 palm, afleggen. Het is nu duidelijk, waarom men wel een hellend vlak in plaats
van het valwerktuig van Atwood gebruikt, ten einde den val zoodanig te vertra-
gen, dat men geschikte waarnemingen doen kan.
Passen wij nu de behandelde beweging toe op de verklaring van een hoogst-
merkwaardig werktuig,« den namelijk.
Wat is een slinger? Verbeeldt u eenen bal a (Fig. 30) hangende aan
het einde van een dunnen draad {b a), welks andere einde aan een
pennetje (6) is vastgemaakt, en gij
Fig. 30. hebt een slinger voor u. Terwijl
de slinger in rust is, wijst de
draad 6 a de rigting van de zwaar-
tekracht der aarde aan, hetgeen wij
reeds vroeger aanmerkten. Indien
de bal wordt opgeligt tot in d, en
daarna weder losgelaten, daalt hij
tot in het punt a, gaat dit pnnt voor-
bij, stijgt aan den anderen kant tot
in c, valt nu op nieuw, komt terug
in a, stijgt weder tot in d en zet
deze beweging gedurende langen tijd
voort. Bij die schommeling heeft de
slinger, dalende tot in eene versnellende, en van daar, rijzende, eene vertra-
gende beweging verkregen.
• Het punt 6, om hetwelk de slinger zich beweegt, heet het beweeg- of ophang-
ptint. De afstand f/rt van het hoogste tot hetlaagste jmnt zijns loops noemt men
eene halve scliormneling o( slingering; dc afstand van d tote is de gcheele slingering
of slingcnvijdte. Als wij het gewigt van den draad wegdenken, dan is het zwaar-
tepunt (later verneemt gij wat men hier doorverstaat), van het slingerend lig-
chaam, hier het middelpunt van den bal het slingerpunl. De afetand van dit
sUngerpunt tot het beweeg- of ophangpunt, dat is in ons geval de afstand ab,
noemt men de lengte des slingers. Zulk een slinger, waarbij men zich den draad
als zonder gewigt en den kogel slechts als een enkel zwaar punt voorstelt, draagt
J