Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
86 Niet-mtalen of metalldideu.
zoo bemerkt men een onaangenamen zuren reuk; deze is afkomstig
van de nieuwe verbindingen, welke uit wijngeest en zuurstof bij
langzame verbranding ontstaan zijn, en die men als lialfverbran-
den wijngeest kan beschouwen. Steekt men den wijngeest aan,
zoo verbrandt hij geheel; de daarbij gevormde producten hebben
geen' reuk; er vormen zich dus andere verbindingen bij eene schie-
lijke en volkomene verbranding dan bij eene langzame en onvol-
komene. Iets dergelijks ontmoet men bij alle andere brandbare
ligchamen. Dc onaangename reuk bij het verzengen van haar of
kleedingstukken, bij het overloopen van kokende melk, bij het
glimmen van vloeipapier is het gevolg van eene onvolkomene ver-
branding ; worden al deze stoffen volkomen verbrand, zoo bemerkt
men niets van een' onaangenamen reuk. Herhaalt men de vorige
proef met acther, in plaats van met wijngeest, zoo ontvlamt de
aether zoodra de draad wit gloeijend is geworden ; is deze slechts
rood gloeijend, zoo ontstaat er geene ontvlamming. Men ziet,
de temperatuur van den rood gloeij enden draad is nog niet toerei-
kende voor de snelle verbranding van den aether, deze heeft eerst
plaats bij nog sterkere verhitting, bij het wit gloeijen van den
draad. Gelijk phosphor eerst kon ontvlammen bij eene tempera-
tuur van 70°, en de aether dit eerst bij eene nog veel hoogere
temperatuur doet, zoo hebben alle brandbare stoffen een bepaalden
warmtegraad noodig, om levendig te kunnen verbranden, deze een
hoogeren, gene een minder hoogen. Worden brandende ligchamen
tot beneden deze temperatuur af gekoeld, zoo dooven zij uit. Gloei-
jend ijzer brandt in zuurstof voort, in gewone lucht niet; bij de
heldere verbranding in zuurstof wordt het zoo warm, dat het
kan blijven gloeijen; en bij de vijfmaal langzamere verbranding
in de lucht wordt er niet zoo veel warmte ontwikkeld, als noodig
is om voort te kunnen branden. Steenkolen hebben eene hoogere
temperatuur noodig om voort te branden, dan hout, zij moeten
daarom in den haard nabij elkander en opeen liggen , anders koe-
len zij te sterk af en gaan uit; hout kan blijven branden, ook
wanneer het verstrooid in den haard ligt. Eene gloeijende kool gaat
veel spoediger uit, wanneer men haar op ijzer legt dan op hout:
het ijzer, een goede warmtegeleider , ontneemt haar do warmte
veel schielijker dan het slecht geleidende hout.
Men kan zelfs de vlam van eene kaars of spirituslamp door ijzer
zoo sterk afkoelen , dat zij uitdooft.
Proef Houdt men een stuk ijzergaas in de vlam eener kaars,