Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
82 Niet-metalen of metalldklen,.
3 grein koolstof kunuen even zooveel zuurstof vasthouden als 101 gr,
kwik, of, volgens 70, zooveel als 8 gr. zwavel, 6 gr. phosphor,
23 gr. sodium of 20 gr. ijzer. Men noemt deze getallen aequiva-
lenten; zij duiden ons aan, dat 3 gr. kool chemisch zooveel waard
zijn, als 101 gr. kwik, of als 8 gr. zwavel enz. Men zegt in den-
zelfden zin, wanneer men ziet, dat eene stoommachine in eenen dag
denzelfden arbeid verrigt, als waartoe 4 paarden, of in plaats daar-
van 24 menschen noodig zouden zijn: de kracht der stoommachine
is aequivalent (even sterk) aan de kracht van 4 paarden of vau
24 menschen.
110. Kooloxyde-gas. Bij elke verbranding, waar de kool ge-
noeg lucht aantreft, ontstaat koolzuur of CO,; is er echter te
weinig lucht, zoo verbinden zich 3 grein kool slechts met half
zooveel zuurstof, namelijk met 4 grein in plaats van met 8 gr„
er ontstaat derhalve slechts half bereid koolzuur, dat men kool-
oxyde-gas = CO noemt; deze luchtsoort is voor de ademhaling
hoogst vergiftig en doodelijk en bevindt zich in den zoogcnaamden
kolendamp. Zij wordt gevormd, wanneer kolen in een komfoor
langzaam gloeijen, daar de asch, die de gloeijende kolen bedekt
en daarop blijft liggen , den toegang van de lucht moeijelijk maakt,
of ook, wanneer in eene kagchel de schuif toegedaan wordt, eer de
kolen verbrand zijn, daar ia dit geval de luchtstroom, derhalve
het toetreden van genoegzame zuurstof verhinderd moet worden,
In weerwil van alle waarschuwingen hoort men telken winter nog
van ongelidiken, daardoor veroorzaakt, dat de pijp van de kagchel
te vroeg gesloten en dus het gevormde kooloxyde-gas in het ver-
trek terug gedrongen wordt. Het kooloxyde-gas brandt, aangesto-
ken zijnde, met eene blaauwe vlam, en neemt daarbij nog de
hoeveelheid zuurstof op, die het bij zijne vorming wegens gebrek
aan lucht niet meester kon worden, te weten, nog eens zooveel
als het reeds bezit, het gaat dan in koolzuur over, idt CO wordt CO,.
Ook wanneer koolzuur met gloeijende kool in aanraking komt
vormt zich kooloxyde. Het koolzuur neemt daarbij kool op, uit
CO, wordt C,0,, dat is, tweemaal CO. De blaauwe vlam, die
men altijd bemerkt na het opwerpen van versche kolen op het
vuur, of wanneer groote hoeveelheden brandende kolen op elkan-
der liggen, is brandend kooloxyde-gas. Onder aan den rooster,
waar de lucht kan toetreden verbrandt de kool tot koolzuur, maar
dit wordt door de daar boven liggende gloeijende kolen heen ge-
dreven en daarbij in kooloxyde veranderd, hetwelk, zoodra het