Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Koolstof of earbonium. 77
maakt men van deze eigenschap der kool gebruik, om uit bruine ^
suikersiroop witte te maken.
c) rntreert men vuU en stinkend water door kool, zoo verliest
het water deszelfs vuüen smaak, wordt helder en kleurloos. In
groote steden, waar gebrek aan drinkwater is, kan men op deze
wijze het walgelijkste water weder drinkbaar maken.
d) Gewone brandewijn wordt door kool aangenamer van smaak
en reuk , daar de focselolie in dc poriën van de kool teruggehou-
den wordt; bier verliest door kool zijne bitterheid, daar de be-
standdeclen van de hop door haar worden opgezogen.
e) Loodhoudend water verliest, wanneer men het door kool
filtreert, zijne schadelijke eigenschappen geheel, daar al het lood
door de kool wordt teruggehouden. Om deze proef in het werk
te stellen, kan men een groot bierglas vol water met éénen drop-
pel eener oplossing van loodsuiker (338) vermengen en dit lood-
water op dezelfde wijze als in proef h filtreren. Om aan te toonen ,
dat het niet gefiltreerde water lood bevat en het gefiltreerde
daarvan vrij is, kan men bij een gedeelte van beide zwavelwater-
stofwater (132) voegen; daardoor zal in het eerste eene bruin-
zwarte verkleuring ontstaan, terwijl het tweede volkomen helder
blijft. De toestellen, waarmede men'm. Amsterdam en. dAtn, waar
veel loodwatcr voorkonit, het water onschadelijk maakt, berusten
hoofdzakelijk op dit beginsel.
106. De oorzaak dezer merkwaardige eigenschap van dc kool,
om zoo verschillende stoffen naar zich te trekken en in zich te
Fig. 54. houden, ligt in hare sponsachtige, poreuse gesteldheid.
Giet men water op eene glazen plaat, zoo blijft er eene
dunne laag aan de oppervlakte hangen, do plaat wordt
nat, zij heeft dc kracht, water vast te houden; men
noemt deze kracht vlakte-aantrekking, aankleving of
adhaesie. Men ziet deze adliacsie veel sterker in naauwe
glazen buisjes, wanneer men deze in het water steekt.
Het water stijgt daarin op cn wel des te hooger, hoe
naauwer de buisjes zijn. Er komt hier zeer veel glasop-
pervlakte op zeer weinig vloeistof, en dc wanden zijn
zoo nabij elkander , dat de aantrekkingskracht van den eenen wand
aan die van den tcgcnovergestelden de hand reikt, en het water
dus hoog in de buis kan doen opstijgen. Men noemt deze soort
van adhacssie capillariteit of haarbuis-aantrekking. Zij is het, die
het opstijgen van de olie in de lampenkous, van het water iu het