Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Stikstof of tiilrogeuium. 75
Iu woonvertrekken cn andere beslotene plaatsen kan de lucht be-
dorven , d. i. armer aan zuurstof en daardoor rijker aan koolzuur
worden. Dat de lucht ook nog andere bijmengsels bevatten moet, kan
niet bevreemden, wanneer men bedenkt, dat alles, wat op onze aarde
vervlugtigt of verstuift, door haar wordt opgenomen. Dc lueht,
die van de Specerij eilanden komt, riekt nog op eenen afstand van
8—10 mijlen naar kaneel en muskaatnoten; het in de lueht be-
vatte stof ziet men duidelijk op die plaatsen, waar een zonnestraal
door haar heen dringt. Deze bijmengsels zijn echter gewoonlijk zoo
gering, dat zij niet onder het bereik vallen vau gewigt of maat-
KOOL EN VrUB.
KOOLSTOF Oï CAKBONIUM, (C.)
(Aoq. gew. = 75.)
103. Een stuk hout, op ccnc heete ovenplaat gelegd, wordt
bruin en eindelijk z^vart, het verkoolt: een brandende spaander,
met water begoten, gaat uit cn vertoont zich ook verkoold; eca
stuk linnen wordt tonder, indien men het aansteekt cn het vuur
weder uitdrukt; tonder is verkoold linnen. In het eerste geval
was de hitte niet sterk genoeg, om het hout geheel te verbranden,
in het tweede werd het geheel verbranden door verkoeling verhin-
derd, in het derde geval door afsluiting van de lucht. Alle plant-
aardige en dierlijke stoffen worden, indien men ze slechts onvol-
komen, slechts ten halve laat verbranden, in kool veranderd. Do
kool wordt hierbij niet eerst voortgebragt, zij was reeds te voren
in deze ligchamen aanwezig, maar in eene chemische verbinding
met andere stoffen, welke bij het verliitten ontwijken, hetgeen
men daaruit kan opmaken, dat het verkoolde ligchaam veel min-
der weegt, dan te voren. Alle planten en allo dieren bestaan
derhalve voor een gedeelte uit kool of, zoo als men in de schei-
kunde zegt, uit koolstof. In het latijn heet deze stof carbonium
en haar teeken is C.
104. Houtskool.
Proef. Men bedekt een' brandenden houtspaan of een' zwavel-
stok allengs met een reageerbuisje; hij zal dan alleen daar buiten
met vlam branden, doch daar binnen, dewijl de lucht geen' toe-
gang heeft, slechts verkolen. Op eene dergelijke wijze bereidt men
in het groot houtskool, terwijl men houtmijten oprigt, deze met