Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
70 Niet-metalen of metallovlen.
meerdering van drukking kan echter niet alleen door de lucht,
maar door den waterdamp of stoom zeiven voortgebragt worden,
wanneer er slechts altijd nieuwe damp gevormd wordt, zonder dat
de reeds gevormde ontsnappen kan. Dit geschiedt, wanneer men
het vat of den ketel, waarin het water verhit wordt, digt toesluit,
het eenvoudigst door een vast daarop geschroefd deksel. Men
noemt een dergelijk vat, als het klein is, een' Papiniaanschen pot,
zoo het groot is, een stoomketel, en men kan daarin water tot 200° C.,
en zelfs nog hooger verhitten, terwijl het onmogelijk is, het iu
ongedekte vaten warmer dan 100° C. te maken. Is er zooveel stoom
in, als er voor de gewone hoeveelheid plaats is, wanneer het vat
open is, zoo zegt men: de drukking bedraagt twee atmospheren;
bij eene 3, 4, 5,10, 20voudige hoeveelheid noemt men op dezelfde
wijze de drukking of spanning van den stoom, 3, 4, 5,10, 20
atmospheren sterk. Men gebruikt dergelijke ketels dikwerf, om
water volkomen in vaste en harde ligchamen te doen indringen;
zoo lost b. V. water van 100° uit beenderen slechts van de opper-
vlakte een weinig lijm op, terwijl water van 110°—120° de been-
deren geheel doordringt en ook de in het inwendige bevatte lijm
uittrekt.
97. De warmte zet de lucht uit, geheel op dezelfde wijze als bij
de vaste en vloeibare ligchamen, doch in veel grootere mate.
Proef. Men steekt eene met een bol voorziene glazen buis in
Kg. 49. water en verwanne zachtjes den bol; een ge-
deelte der lucht zal uitgedreven worden, en in
bellen door het water opstijgen; de verwarmde
lucht heeft akoo geene plaats genoeg, zij heeft
meerdere ruimte noodig dan in den koudon
toestand. Hieruit volgt ook, dat de warme
lucht ligter moet zijn dan de koude. Neemt
men de lamp weg, zoo zal de in den bol be-
vatte lucht zich bij de bekoeling weder zamen-
trekken en in de plaats van de uitgedrevene
lucht zal er water in de buis dringen.
98. Door de verschillende digtheid der warme en koude lucht
worden zeer vele dagelijksehe verschijnselen duidelijk. Bij het ver-
warmen van onze kamers wordt eerst de lueht verwarmd, die met
den haard of de kagchel in aanraking is, deze wordt ligter en
stijgt op; van onderen stroomt daarvoor de koudere lucht toe, die
eveneens verwarmd wordt en opstijgt; er heeft derhalve eene