Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
68 Niet-metalen, of fiieialldiden.
strepen verdeelde schaal aan. Staat het kwik op 28 duim, zoo
zegt men, dat men eene middelbare drukking der lucht (middel-
baren stand van den barometer) heeft; 29 duim wordt een zeer
hooge , 27 een zeer lage barometerstand genoemd. In onze streken
zijn de ooste- en zuidewinden in den regel digter dan de weste-
cn noordewinden, de eersten zullen daarom het kwik inden baro-
meter gewoonlijk doen rijzen, de laatsten doen dalen. De eerst-
genoemde , grootendeels over het vaste land tot ons komende winden
zijn tevens drooger dan de laatstgenoemde, die eerst over de zee
strijken, en het is dus natuurlijk, dat het bij O. en Z. wind zeld-
zamer bij ons regent dan bij W. en N. wind. Hierin ligt voorna-
melijk de grond, waarom wij den barometer ook als een weer-
profeet beschouwen.
Het zal thansnaauwelijksnogeene verklaring behoeven, waarom
het water uit eene omgekeerd in de pneumatische trog geplaatste
buis niet wegloopt; waarom het water in eenen hevel opstijgt,
wanneer men er de lueht uitzuigt (verdunt); waarom eene vloei-
stof slechts dan van onderen uit het vat vloeit, wanneer men het
spontgat boven open maakt; waarom het water in eene zuigpomp
opstijgt, doch niet hooger dan tot 32 voet enz.
94. Vermeerdert men de di-ukking of spanning van eene be-
slotene hoeveelheid lucht daardoor, dat men haar of sterker zamen-
perst, of er meer lucht bij brengt, zoo kan men haar dwingen uit
eene kleine opening te stroomen, zoo als men in het klein bij een
blaasbalg ziet. Bevindt er zich water voor deze opening, zoo zal de
gespannen lueht daarop drukken en het er met een' straal uitpersen.
Proef, Men bevestige een stuk van eene naauwe, aan het eene
Kg. 47. puntig uitloopende glazen buis door mid-
del van eene doorboorde kurk op eene flesch,
vult deze half met water, en blaast er door de
opening met den mond lueht in; deze zal er, zoo-
dra men met blazen ophoudt, weder uitstroo-
men. Keert men echter den toestel, zoodra de
lucht er in geblazen is, terstond om, zoo komt
het water voor dc opening van de buis en wordt
er uit gespoten. Men gebruikt dergelijke spuit-
fleschjes veel, om nedcrplofsels, die zich op een
filtrum bevinden, met water uit te wasschen
of van de wanden van het filtrum af te spoelen. Eene geheel daar-
mede overeenkomende inrigting bezigt men onder den naam van