Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
54 Niet-metalen of metallöiden.
eerst neder, doeli wordt door bijvoeging van veel water weder
opgelost.
74. Proef. Men giete in het glas van proef 68 langzaam ééne
drachme van het algemeen bekende zwavelzuur; het zal zich,
onder ontwikkeling van warmte, met het water vermengen, en
wanneer men het dikwijls omschudt,'na eenigen tijd zoowel het
aan de wanden hangende bruine ijzeroxyde, als ook het op den
bodem aanwezige zwarte oplossen. Ook hierbij ontstaat een zout,
terwijl de basis (het ijzeroxyde) zich met het zuur chemisch ver-
bindt; de geelachtige vloeistof houdt een ijzerzout opgelost.
75. De zuurstof is eene algemeene spijs voor alle elementen,
zij wordt door allen opgenomen en wel, zoo als reeds gezegd is,
in bepaalde verhoudingen of hoeveelheden: de verwajitsehap van
een element tot zuurstof is echter dikwerf verschillend naar de
omstandigheden , waaronder men deze laatste aanbiedt, bij warmte
b. v. grooter dan bij koude, bij overvloed aan zuurstof grooter dan
wanneer er slechts weinig voorhanden is. Vele elementen nemen
derhalve niet zelden bij eene hooge temperatuur grootere hoeveel-
heden zuurstof op dan bij lage warmtegraden, en bij rijkelijk voor-
handen zuurstof meer dan bij gebrek daarvan. Dit meer of minder is
evenwel geenszius willekeurig, het is evenzeer door bepaalde wetten
voorgeschreven. Men noemt de verschillende verhoudingen, waarin
een ligehaam zich met zuurstof verbindt, zijne oxydatietrappen.
76. Zwavel verbindt zich met zuurstof tot zwaveligzuur, wan-
neer hij ia zuurstofgas of in de lucht verbrandt; hij kan zich
echter ook üog met | maal meer zuurstof verbinden; alsdan ont-
staat er zwavelzuur.
Phosphor vormt met zuurstof phosphorzuur, wanneer hij met
vlam verbrandt; laat men hem echter zonder verwarming in de
lucht liggen, zoo neemt hij slechts | zooveel zuurstof op en ver-
vloeit tot eene zure vloeistof, die men phosphorigzuur noemt.
Onder zwavelzuur en phosphorzuur verstaat men derhalve ver-
bindingen met meer zuurstof, onder zwavelig- en phosphorigzuM
daarentegen verbindingen met minder zuurstof.
77. Behalve het roode kwikoxyde (56) bestaat er nog eene
verbinding van kwik met half zooveel zuurstof, welke er zwart
uitziet en kwikoxydule genoemd wordt. Even zoo heeft het ijzer
twee verbindingen met zuurstof, eene bruinachtig roode met meer
zuurstof, ijzeroxyde, en eene zwarte met } zooveel zuurstof,
ijzeroxydule.