Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
546 Dierlijke stoffen.
het ueuskraakbeen enz. door langdurig koken met water bereidt.
Deze lijm heeft men ohondrine genoemd.
653. Hoornzelfstandigheid. Haren, wol, borstels, vederen, na-
gels, klaauwen, hoeven, hoornen, schubben euz., die op vele plaat-
sen de huid van het dierlijk ligehaam bedekken, worden door ko-
king met water niet tot lijm opgelost: zij staan echter met deze in
zamenstelling vrij gelijk, maar bevatten behalve stikstof ook nog
zwavel. Dit zwavelgehalte geeft gereedelijk verklaring van het ver-
schijnsel, dat deze stoffen bij verwarming met loodoplossing zwart
worden, daar zich eene laag zwavellood vormt. De wol bestaat
uit holle, geelachtige , met vet overtogen buisjes. Door wassching
met rotte urine of zeepwater wordt het vet weggenomen , door
bleeking met zwaveligzuur de geelachtige kleur in wit veranderd
(chloor is bij deze bleeking niet te gebruiken). De wol en evenzoo
de zijde, die insgelijks van dierlijken oorsprong is, hebben tot de
kleurstoffen veel meer verwantschap, dan het uit het plantenrijk
afstammend linnen en de boomwol, en daarom kunnen wollen en
zijden stoffen veel gemakkelijker en echter (duurzamer) geverwd
worden, dan boomwollen en ïïnnen stoffen. Door koking met loog
worden al deze hoornachtige ligchamen volkomen opgelost. Daar
dit met linnen en katoen het geval niet is, zoo kan men gemakkelijk
door deze beide proeven in wollen stoffen de aanwezigheid der eerste
opsporen.
VII. DE BEENDEREN.
De beenderen, die het geraamte van het ligehaam uitmaken,
bestaan voor | uit lijmgevend weefsel en voor J uit anorganische
stoffen (beenaarde).
654. Beenaarde. Troef. Men legge een afgewogen runderbeen
in een ovenvuur en neme het eerst weder uit, wanneer het zijne
witte kleur volkomen teruggekregen heeft; het lijmgevend weefsel
verbrandt daarbij , terwijl de beenaarde achterblijft. Dit wit ge-
brande been , dat nu | ligter is geworden , bestaat hoofdzakelijk uit
phosphorzuren kalk , gemengd met ecu weinig koolzuren kalk (mag-
nesia, fluorcalcium en chloorsodium). Deze verhouding tusschen de
hoeveelheden lijmgevend weefsel en beenaarde is echter niet be-
stendig, maar wisselt af bij de verschillende dieren, ja zelfs bij een
zelfde dier in zijne verschillende levenstijdperken.
655. Beenderenkool. Troef. Verhit men een been eenige uren