Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
De huid.
VI. DE HUID.
543
646. Het gansehe ligehaam der dieren is uitwendig met eene
vaste, elastisehe huid bedekt, die uit
een digt weefsel van eellen bestaat, tus-
schen welke zich kleine openingen (po-
riën) bevinden. Nevensgaande figuur
vertoont een stuk der menschelijke huid
ongeveer ter grootte van eene lins, met
hare poriën, zoo als zij zich onder het
vergrootglas vertoont. Door deze poriën
wordt deels vet, deels zweet en een
weinig koolzuur uit het ligehaam afgescheiden.
Proef. Men legge een stuk versche dierlijke huid in water;
het zwelt op zonder zich op te lossen en gaat, wanneer men het
langer bewaart, tot eene stinkende rotting over. Kookt men de
huid daarentegen eenige uren met water, zoo wordt er het grootste
gedeelte van opgelost en men verkrijgt eene vloeistof, die bij be-
koeling tot gelei stolt. Gedroogd ^stelt deze gelei den bekenden
lijm daar. De huid bevat geene lijm als zoodanig, maar een weef-
sel , dat eerst door langdurig koken tot lijm overgaat, en hetwelk
om die reden den naam van lijmgevend weefsel heeft verkregen.
647. Het lijmgevend weefsel maakt een voornaam bestanddeel
der dierlijke ligehamen uit, want het komt in alle ligchaamsdeelcn
voor, die niet tot de eiwitstoffen behooren, b. v. in de inwendige
vliezen , de peezen en banden, de beenderen , het hoornweefsel enz.
Het heeft in zamenstelling veel overeenkomst met hft eiwit of de
dierlijke fibrine, het is even als dit, zeer rijk aan stikstof en bevat
ook een weinig zwavel, maar onderscheidt zich overigens wezen-
lijk van gene door zijne eigenschappen en verhouding tegenover
andere stoffen.
Lijm. De gewone, glasachtig-amorphe lijm wordt meestal nit
afval van dierlijke huiden of beenderen door uittrekken met heet
water of beter door waterdamp onder hooge drukking bereid. De
geconcentreerde en door bezinking geklaarde vloeistof geeft bij be •
koeling eene stijve gelei, die in dunne schijven verdeeld en op
een weefsel van bindgaren gedroogd wordt, waardoor zij het be-
kende gestreepte aanzien verkrijgt.
Proef. Laat men lijm in koud water liggen , zoo zwelt zij tot
eene ondoorzigtige weeke massa op; verwarmt men deze, zoo be-