Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Be melk. 533
men in Zwitserland melksuiker in het groot. Zoete wei is alzoo
hoofdzakelijk als eene oplossing van melksuiker (benevens wat
caseïne en eenige zouten) in water te beschouwen.
Froef. Men losse de verkregen melksuiker weder in water op
en legge in de oplossing een stukje kalfsmaag: de vloeistof zal op
eene warme plaats spoedig zuur worden , daar de melksuiker tot
melkzuur overgaat.
630. Proef. Het stremmen der melk, dat door het inleggen
van kalfsmaag in eenige uren bewerkt wordt, heeft oogenblikke-
lijk plaats, wanneer men melk met een zuur vermengt, zoo als
blijkt, wanneer men in verwarmde melk eenige droppels van het
een of ander zuur, vooral melkzuur giet. In de gestremde massa
zijn ook hier al de caseïne- en vetdeeltjes (kaas en boter) der
melk bevat.
631. .Proef. Men vuile een fiesehje met versche melk, sluite
het cn late het omgekeerd 24—36 uren op eene koele plaats staan.
Wanneer men dan de kurk een weinig ligt, zoo kan men de be-
nedenste laag dunne melk er uit laten loopen en de bovenste, dik-
kere vloeistof (zoete room) terughouden; de ligte vetkogeltjes
stijgen , wanneer men de melk stil laat staan, in de hoogte en
vormen aan de oppervlakte de bekende vette roomlaag. Wordt
deze room lang geschud of geklopt, dan breken de omhulsels der
vetkogeltjes en deze hechten zich tot klompen aan elkander (kar-
nen); deze klompen zijn boter *). Uit de verkregen dunne melk
kan men op de reeds vermelde wijze caseïne, eiwit en melksuiker
afscheiden.
De boter bestaat uit een vast vet (margarine) en een vloeibaar
(elaïne), even als de plantenvetten, waarmede zij ook in eigen-
schappen geheel overeenkomt (633). Behalve deze twee vetsoorten
bevat de boter eehter, gelijk wij reeds vroeger zagen, nog eene
kleine hoeveelheid van eene bijzondere vetsoort (butyrine). Blijft
boter lang aan de lucht blootgesteld staan, zoo vormen zich
daarin eenige vlugtige, onaangenaam riekende cn smakende vet-
soorten en deze zijn de oorzaak van het sterk of ranzig worden
der boter. Kookt men sterke boter met de dubbele hoeveelheid
•) De reden wa.irom bij liet karnen, d.i. bij lieftig scliudden , botor-
bolletjcs aan elkander gaan kleven , terwijl gelijk bekend is, vette oliën
iloor schudding juist Njn verdeeld worden (emulsie), is daarin gelegen ,
dat de boter niet gelijk de olie een vloeibaar, maar een weekvast vet is.