Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
DIERLIJKE STOPFEN.
619. Nog veel geheimvoller en zamengestelder dan bi] de
planten, zijn de levensversehijnselen , die wij bij de dieren waar-
nemen. Dat ook hier ehemisohe krachten en werkingen eene
hoofdrol spelen, is wel niet te betwijfelen. Immers wij zien hier
het karakter van chemische werking, de verandering van ligcha-
men in nieuwe stoffen met geheel nieuwe eigenschappen, in
een nog veel duidelijker licht''optreden, dan in het planten- en
mineraalrijk; de bestanddeelen van het ei (eiwit, eidoor, schaal)
gaan in bestanddeelen van den jongen vogel (vleeseh, bloed, ve-
deren enz.) over; de melk , die bij vele dieren in hunne jeugd
het eenige voedsel iS , doet het dier groeijen tot dat het volwassen
is, verandert dus insgelijks in vleeseh, bloed enz. Heeft het dier
zijn volkomen wasdom verkregen, dan dient het voedsel, dat het
opneemt, tot onderhouding der voortdurende stofwisselingen, die
den grondslag der verschillende levensvcrrigtingen uitmaken. Een
volwassen dier kan jaren lang leven, zonder in grootte en gewigt
toe- of af te nemen. Juist zooveel het aan voedsel gebruikt, ver-
liest het weder langs andere wegen , maar onder geheel andere
scheikundige vormen. De organen die zijn ligchaam zamenstellen
kunnen de verrigtingen, waartoe zij bestemd zijn , niet volbren-
gen, zonder dat zij aan stof verliezen, of om het met een aan
het dagelijksch leven ontleenden term uit tc drukken, af te slijten.
Dit verlies moet door het voedsel worden aangevuld, dat, voor
zoo ver het ter spijsverteering geschikt is, in de bestanddeelen
der organen veranderd wordt, terwijl het onbruikbare gedeelte,
nevens de in het ligchaam verbruikte stoffen, weder worden uit-
gescheiden. Dat de chemische verwantschap der stoffen onderling
alléén deze veranderingen niet kan voortbrengen, is in het voor-