Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
516 VI antenstofeii.
Of in cene plant deze of gene dezer zontklassen voorheerseht,
laat zich, pchoon met geene groote naanwkenrigheid , door be-
handeling harer asch, eerst met water, dan met zoutzuur, bepalen.
610. In de levende planten zijn deze anorganische stoffen dik-
wijls in eenen geheel anderen vorm bevat, dan in de asch; de
zwavel namelijk als bestanddeel der eiwitstoifen, de bases meest
verbonden met plantenzuren. Dat deze laatste door verbranding
in koolzure zouten (koolzure potasch, soda, kalk enz.) veranderd
worden, hebben wij reeds vroeger bij de wijnsteenzure en zuring-
zure potasch aangetoond, en daaruit verklaart zich, waarom de
asch van bijna elke plant met zuren opbruist. De zwavel gaat
bij de verbranding gedeeltelijk in zwaveligzuur over, dat ont-
wijkt, gedeeltelijk in zwavelzuur, dat zich met eene der voorhan-
dene bases verbindt en de asch tcrugblijft.
611. Bij het phosphorzuur en het kiezelzuur (176, 183) en
bij de potasch en den kalk (214 , 2iO) werd reeds herinnerd, dat
deze stolfen op den wasdom der planten eenen gunstigen invloed
uitoefenen en dat vele planten op eenen bodem, die geene potasch-
zouten bevat, niet gedijen, aSdere niet in eenen grond, waar zij
geenen kalk , of geene kiezelzure of phosphorzure zouten vinden.
De algemeene verspreiding der anorganische stoffen in alle planten
voert gereedelijk tot het besluit, dat iedere plant eene zekere
hoeveelheid daarvan behoeft cm tc leven e i tot volkomen ont-
wikkeling te komen. Vindt zij die niet of niet in genoegzame hoe-
veelheid in den bodem, die haar is aangewezen, zoo wordt haar
wasdom gehinderd; zij verkwijnt en verwelkt, voor dat zij tot
rijpheid is gekomen. De basische lis;chamen , potasch en kalk, wer-
ken hierbij hoogst waarschijnlijk op eene dergelijke, voorbeschik-
kende wijze, als bij de vorming van salpeterzuur uit ammonia
(in de salpeterhuttcn); zij veroorzaken namelijk door haar aanwe-
zen, het ontstaan van organische zuren, waarmede zij dan nader-
hand in verbinding treden. Uit deze zuren vormen zich dan, zoo
als het schijnt, bij verderen wasdom, de indifferente stofïon,amy-
lum , gom , suiker enz., want bij vele plantendeelen, voornamelijk
bij de vruchten, gaat de zure smaak, dien zij eerst bezaten, later
in eenen meeligcn, zoeten of slijmigen smaak over.
"VVelke anorganische zouten elke plant voor haren M'asdom noo-
dig heeft, laat zich , zoo als uit het voorgaande volgt, zeer een-
voudig door verbranding der plant en chemische analyse der ach-
terblijvende asch bepalen; zij behoeven die stoffen, welke in hare
J