Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
512
Plantenstoffen.
voornamelijk in de basten , en die daaraan den bekenden wrangen
en zamentrekkenden smaak mededeelt. Het wordt als een zuur be-
schouwd , daar het zuur reageert en zich met bases kan verbinden.
Naar de plant, waaruit dit zuur getrokken is, heeft men het
eiken-, catechu-, kinalooizuur enz. onderscheiden, die allen slechts
weinig van elkander verschillen. Het naauwkeurigst is het eiken-
looizuur bekend, dat in de grootste hoeveelheden in de galnoten
en in den jongen eikenbast voorkomt. In zuiveren toestand is het
eene witte of gele gomachtige massa, die gemakkelijk inwateren
wijngeest oplosbaar is. Het is het hoofdbestanddeel van de galno-
tentiuetuur. Twee eigenschappen kenmerken het looizuur bijzonder
en maken het tot een voor het dagelijksehe leven onontbeerlijk
Ugchaam.
a. Het geeft met ijzeroxydczouten een blaauwzwart nederslag
van looizuur ijzeroxyde; van daar zijne aanwending tot het
graauw- en zwart verwen van stoffen en ter bereiding van inkt.
b. Verder verbindt het zich mot de dierlijke huid tot eene in
water onoplosbare en niet aan bederf of rotting onderworpene
verbinding, namelijk het leder' Van daar het uitgebreide gebruik
der looistofhoudende plantendeelen (eiken-, populier- en berken-
bast enz.) in de looijerijen.
603. Blijft eene oplossing van looistof langen tijd aan lucht
blootgesteld, zoo verandert zij in twee nieuwe zuren, galluszuur
en ellagalluszuur. Het galluszuur kristalliseert in witte naalden
of zuilen; zijne oplossing geeft even als die van looizuur met
ijzeroxydczouten een blaauwzwart nederslag, maar mist de eigen-
schap van zich met dierlijke huid te verbinden.
604. Het looizuur kleurt zich aan de lucht blootgesteld lang-
zamerhand, en wordt eerst geel, rood en eindelijk bruin. Dit is
de reden van de verkleuring, die men vele basten eu houtsoorten
die looizuur bevatten, met den tijd ziet ondergaan, terwijl zij
oorspronkelijk niet of slechts weinig gekleurd waren, zoo b. v.
de kastanjes, het mahonie- en eikenhout enz.
Door drooge destillatie verkrijgt men uit looizuur het kristalli-
seerbare zoogenaamde brandig looizuur (acidum pyrogallicum), dat
tegenwoordig veel in de photographie gebruikt wordt.
605. Looistoffen. Als looistofrijke ligehamen komen voorname-
lijk de volgende in den handel voor:
a. Galnoten. Deze ontstaan op de eikenbladeren door den
steek van een insect. De beste komen uit Klein-Azie en bestaan