Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Harsen en gomharsen. 'iSö-
scliellak behalve hars nog eenweinig was eu plantenslijm bevat, die
onopgelost in de vloeistof blijven drijven. Ook deze oplossing wordt
als vernis aangewend, maar veel meer onder den naam vau poli-
tuur bij de sehrij uw erkers; deze wrijven het hout daarmede zoo
lang in, tot dat de wijngeest vervlogen is. Men verkrijgt op deze
wijze eene nog meer effene en dunnere harsoppervlakte, dan door
uitstrijken, daar bij deze laatste bewerking de streken van de kwast
dikwijls zigtbaar blijven. Fijne meubelen worden gewoonlijk ge-
polituurd, gewone gevernisd.
579. Harsen en oliën. Troef. 1 Lood dammarhars wordt met
wat zand vermengd en met 4 lood terpentijnolie overgoten; men
verkrijgt na eenige dagen eene bijna volkomene oplossing der hars,
want de vlugtige oliën zijn insgelijks in staat, harsen op te lossen.
Ook deze oplossingen worden veel als vernissen gebezigd; zij droo-
gen wel langzamer, maar geven daarentegen eene taaijere en
daardoor minder ligt barstende harslaag. De helderste en fijnste
vernissoorten worden gewoonlijk van barnsteen, dammar, eopal,
sehellak, sandarak en mastik gemaakt; mindere en donkerder ge-
kleurde soorten uit barnsteeneolophonium, gewoon eolophonium,
terpentijn, asphalt enz. Door drakenbloed enz. deelt men som-
wijlen aan heldere vernissen eene gele kleur mede. Ook in vette
oliën zijn de harsen oplosbaar. Vele in de pharmaeie voorkomende
zalven en pleisters zijn mengsels van vetten en harsen, en het is
dan de hars, die het vet op de huid vast doet kleven. Het meest
wordt hiervoor de terpentijn gebruikt.
580. Harszeep. Troef. Men koke 4. lood eolophonium met 2
lood sterke potaseh- of sodaloog en voege er bij kleine hoeveel-
heden nog zoo veel loog bij, tot dat een proefje der vloeistof
zich in kokend water tot eene heldere vloeistof oplost. Bij be-
koeling stolt de massa tot eene vrij vaste zeep (harszure potaseh
of soda). De harsen verhouden zich, zoo als men ziet, tegenover
sterke bases geheel als de vetzuren eu zijn daarom tegenwoordig
een belangrijk artikel voor den zeephandel geworden, om goed-
koope zeepsoorten daar te stellen.
Troef. Men vermenge eene oplossing van harszeep met eene
oplossing van aluin; er vormt zich eene onoplosbare verbinding
van harszure aluinaarde. Op deze wijze gebruikt men de hars-
zeep tot het lijmen van het papier, door bij de papierbrei, waaruit
de bladen zullen gevormd worden , eerst harszeep en daarna aluin-
oplossing te voegen. Om elk papiervezeltje vormt zich dan een