Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Harsen en gomharsen. 'iSö-
liarst meu de wijnflessohen en de biervaten, opdat in do eerste
geene lucht indringe cn om bij de laatsten te verhinderen, dat het
bier in het hout intrekt, daarom wordt het hout der schepen,
spoorwegen, schuttingen enz. geteerd, om het indringen van het
zee- of regenwater te verhinderen; daarom eindelijk gebruikt men
ook hars, namelijk het vaste en taaije schellak, als behoedmiddel
tegen ongepaste nieuwsgierigheid , in den vorm van zegellak.
Zegellak. Froef. Men smelte in een' lepel 4 lood helder schel-
lak en 1 drachme terpentijn te zamen en roere 1 drachme cinnaber
cn ^ drachme gewasschen krijt onder de vloeibare massa; neemt
men ze er uit, terwijl zij nog vloeibaar is, zoo laat zij zich tus-
sehen de handen, wanneer men deze met ccn weinig water bevoch-
tigt, tot eene stang rollen. De terpentijn geeft aan het lak meer
brandbaarheid, het cinnaber de gelief koosde roode kleur. Men kan
er door chromaatgeel, lazuurgroen , roet, bronspoeder enz. andere
kleuren aan mededeelen.
576. Harsgas. Froef. Wordt colophonium sterker verhit, dan
tot smelting noodig is, zoo ontvlamt het en verbrandt met eene
helder lichtende en roetafzettende vlam, terwijl er een weinig kool
overblijft. Op vele plaatsen maakt men lichtgas uit hars, door deze
in gesmolten toestand op coaks te laten droppelen, die in eenen
ijzeren cilinder gloeijend gehouden worden.
Brandhars. Wordt de vlam van het brandende colophonium
uitgcbluscht, door er een plankje op te leggen, zoo vindt men als
overblijfsel eene zwarte brandhars, scheeps- of schoenmakerspik ,
bekend wegens hare groote taaiheid. Op gelijke wijze veranderende
kuipers het gewone witte pik daardoor in zwart, dat zij het eenen
korten tijd in de vaten, die gepikt zullen worden, laten branden.
Rookzwart. Froef. Men houde boven een brandend stuk pijn-
boomenhout een uit vloeipapier gerold peperhuis in eene schuinsche
rigting; het zal zich weldra met roet bedekken. In het groot be-
reidt men het bekende rookzwart op dergelijke wijze, namelijk
door eene veel hars bevattende houtsoort of hars alleen bij ontoe-
reikenden toevoer van lucht in daartoe ingerigte ovens te verbran-
den , die met kanalen of met eene kamer verbonden zijn, waarin
de rook bij het doortrekken zijne koolstof afzet.
Froef. AYordt een weinig barnsteenpoeder op gloeijende kolen
geworpen, zoo verglimt het en verspreidt daarbij eenen damp van
eenen aangenamen, balsemachtigen geur. Barnsteen, wierook ,
benzoë cu niastik worden veel als reukmiddelen aangewend.