Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
480
Tliintensioffen.
frisschenden reuk onder den naam van reukazijn veel gebruikt.
Evenzoo laten de vlugtige oliën zieh met vette oliën, talk en
reuzel vermengen ; men kan dus door dezelve deze laatsten eenen
aangenamen reuk mededeelen (haarolie, pomade enz.) en ook vet-
vlekken uit kleedingstoffen oplossen en verwijderen. Vlugtige oliën,
met wijngeest vermengd, geven met boomolie geschud, eene troe-
bele melkachtige vloeistof, daar de wijngeest zich niet met de
boomolie vermengen laat. Deze proef kan dienen, om de zui-
verheid der in den handel voorkomende oliën te onderzoeken.
564. Froef, Men wrijve een stuk broodsuiker eenigen tijd
tegen de schil eener versehe citroen; de harde suiker verbreekt de
cellen, waarin de citroenolie bevat is en zuigt de olie in hare poriën
op. Stoot men de suiker nu tot poeder, dan heeft men de zooge-
noemde oliesuiker (Elaeosaccharum). In de pharmacie bereidt men
deze mengsels gewoonlijk door suiker met vlugtige oliën innig
te mengen.
565. Froef. Brengt men eenige droppelen terpentijnolie op
jodium, zoo heeft er eene hevige werking plaats, gedurende welke
een gedeelte waterstof wordt verdreven en in hare plaats jodium
treedt. Deze werking bemerkt men bij alle zuurstofvrije oliën,
maar niet bij zuurstof houdende, en zij kan derhalve als eene, hoe-
wel niet naauwkeurige proef dienen, om te onderzoeken of de
oliën der laatste klasse ook met terpentijnolie zijn vervalscht.
666. Froef. Men late een weinig terpentijnolie in een met
een stuk papier bedekt kopje eenige weken aan zich zelve over,
en plaats het kopje dan op eene warme plaats om de olie te ver-
dampen ; zij zal zieh nu niet meer geheel vervlugtigen, maar een,
eerst kleverig, later glasachtig wordend overblijfsel achterlaten.
Dit overblijfsel is hars. Alle vlugtige oliën worden, aan lueht
blootgesteld, langzamerhand in harsen veranderd , terwijl zij zuur-
stof opnemen, die zich even als bij de verandering van wijngeest
in azijn, eerst met een gedeelte van de waterstof der olie tot water
verbindt en zich dan met de olie zelve vereenigt. De wijngeest
wordt aan de lueht door onttrekking van waterstof in aldehyd ver-
anderd, en dan door opname van zuurstof in azijnzuur; de vlugtige
oliën gaan evenzoo eerst tot terpentijn (mengsel van vlugtige olie
en hars), vervolgens tot hars over. Hier door verklaart zich nu
gemakkelijk, waarom de vlugtige oliën, wanneer zij lang bewaard
worden, en wel in groote, slechts gedeeltelijk gevulde flesschen
sneller dan in kleine, langzamerhand taai en reukloos worden en