Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
470
Flmitensfoffen.
glyceryloxyde bevindt, met vloeipapier uitveegt en dit in een
reageerbuisje verbit, zoo vormt zieb daarbij een stinkende damp,
die de oogen doet tranen; bij is afkomstig uit het glyceryloxyde,
dat bij verhitting een vlugtig, zeer scherp ligchaam (acroleïne of
aeryloxyde) voortbrengt. Daarin ligt de reden van den onaange-
namen reuk, dien alle vetsoorten bij onvolkomene verbranding ver-
spreiden b. V. bij het uitblazen eener brandende vetkaars. Dezelfde
reuk wordt waargenomen op de plaatsen, waar geverniste voor-
werpen droogen , b. v. in de droogkamers der fabrieken van ge-
wast doek; deze vlugtige stof kan zich dus ook bij lagere tempe-
ratuur uit het oliezoet vormen.
De aeroleïne ontstaat uit oliezoet door daaraan water te ont-
trekken. Zij kan daarom ook uit glycerine door verwarming met
wateronttrekkcnde stoffen (b.v. glasachtig phosphorzuur) vervaar-
digd worden en men verkrijgt ze dan als eene vlugtige , waterheldere
vloeistof, die den bovenaangeduiden reuk in hoogen graad bezit.
De zuivere vetzuren geven bij verhitting geene acroleïne.
EIGENSCHAPPEN DEK ZEEP.
548. De zeep heeft twee belangrijke eigenschappen: 1) lost zij
vet en olie op , en 2) vervalt zij zeer ligt, reeds door vermen-
ging met water, in een zuur zout en vrij alkali: dit laatste ont-
leedt, zoo als wij weten, de meeste organische stoffen, terwijl
het eerste door zijne gladheid een gemakkelijker wegspoelen der
opgeloste stoffen van andere ligchamen bewerkt. Het zich afschei-
dende zure vetzure alkali tempert te gelijk de inwerking van het
vrije alkali en houdt de voorwerpen, die met zeep gewasschen
worden, glad, terwijl zij hard zouden worden, wanneer men ze
met alkali alleen waschte. De vetzuren zijn derhalve als het
ware de dragers en bewaarders der alkaliën, die zij ook daaren-
boven nog voor den overgang tot koolzure alkaliën behoeden;
men kan ze in dit opzigt gevoegelijk bij zwam vergelijken, dat
groote hoeveelheden water opneemt en het slechts bij gedeelten
weder laat varen. Wollen stoffen, die niet mogen krimpen, wor-
den in plaats van met zeep met eene verdunde oplossing van
koolzure soda gewasschen.
Dikwijls voegt men bij de zeepen nog harde ligchamen, die
bij het wasschen tevens ongeveer als schuurmiddelen werken
(zandzeep). Het gemarmerde aanzien der zeepen geeft meu er