Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Vetten en, vette oliën. 469
vetzuur uit was verkregen). Het is hoogst opmerkenswaardig , dat
de in deze reeks onderaan geplaatste zuren b. v. boterzuur, iu
water oplosbaar, in zuiveren staat vloeibaar en gemakkelijk vlug-
tig zijn, terwijl hoe hooger men daarin klimt, de zuren die meu
achtereenvolgens aantreft, deze eigenschappen langzamerhand ver-
liezen , zoo als bij de vergelijking van boterzuur en margarine-
zuur blijkt.
Men ziet dat ook het waterhoudende azijnzuur C,H,0, en
mierenzuur CjHjO» in dezelfde reeks passen, schoon zij niet het
karakter van vetzuren dragen. Dat er echter een naauw verband
tusschen boterzuur en azijnzuur bestaat, kunnen wij uit de vor-
ming van boterzuur (516) opmaken.
GLYCEEINE.
547. Het glyecryloxyde kent men in vrijen staat niet; wan-
neer het uit de vetten afgescheiden wordt, neemt het onmiddellijk
water op, en verandert zich in een zoet smakend ligehaam , dat
men glycerine of oliezoet noemt, even als het aethyloxyde, wan-
neer het uit de zamengestelde aethers wordt afgescheiden onder
opname van water in alcohol overgaat.
Proef. Men ontleedt de in 541 verkregen weeke zeep met eene
oplossing van wijnsteenzuur en laat de door filtratie helder ge-
maakte vloeistof op eene warme plaats indroogen. De terugblij-
vende zoutmassa bestaat uit dubbel wijnsteenzure potasch (wijn-
steen) en uit dc basis van het vet, het glyceryloxyde; overgiet
men ze met sterken wijngeest, zoo lost zich slechts het laatste op,
tenvijl dc wijngeest en het overvloedige wijnsteenzuur onopge-
lost blijven.
1 Het na verdamping van den wijngeest overblijvende glyceryl-
oxyde heeft het aanzien van eene kleurlooze of lichtgele stroop.
Het smaakt niet alkalisch, maar zoet als suiker en biedt der-
halve weinig overeenkomst aan met andere in water oplosbare
bases, als potasch en soda. De reden , waarom wij het eene basis
noemen, ligt in zijne verhouding tegenover de vetzuren; het
wordt als eene basis beschouwd, daar het zich in bepaalde hoe-
veelheden met deze tot ligehamen verbindt, die de algemeene
eigenschappen der zouten vertoonen. Het maakt ongeveer —^t
van de vetten uit; 1 pond talk bevat er hoogstens lood van.
Proef. Wanneer men het schaaltje, waarin zich het verkregen
I