Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Oplossen en krislalluercn. 39
en vloeibaarheid verliest; men noemt zulke verbindingen oplossin-
gen. Treft het regenwater iu de aarde of in de bergen, waardoor
het heen dringt, oplosbare zelfstandigheden aan, zoo noemt het
deze op, en hieruit blijkt, waarom alle soorten van bronwater bij
het verdampen een aardaehtig of zoutachtig overblijfsel achter
laten. Dikwerf wordt dit afzetsel, vooral dan wanneer het kalk-
dcelen bevat, onder het verdampen zoodanig veranderd , dat het
zich niet weder in water oplost en eene steenachtige korst tegen
de wanden van het kookgereedschap vormt (ketelsteen). Het karls-
bader bronwater bevat zoo veel aardachtige bestauddeelen, dat
daarin gelegde voorwerpen iu korten tijd uitwendig versteend
schijnen of geïncrustcerd zijn. Is eenig water zeer rijk aan opge-
loste zelfstandigheden, bijzonder aan zoodanige, die eene genees-
kracht bezitten, b. v. ijzer, zwavel enz., zoo krijgt het den naam
van mineraalwater of gezondheidsbron. Een N. pond zeewater
bevat nagenoeg drie lood opgeloste zelfstandigheden.
Proef. Een theelepel vol gebluschten kalk (38) wordt in eene
flesch met -J kan water overgoten , de flesch wordt digt gemaakt,
en nadat het eenige minuten is omgesehud, late men het zoo lang
stil staan , tot het water weder volkomen helder is. Door de flesch
voorzigtig op zijde te houden kan men het grootste gedeelte der
vloeistof afschenken, zonder dat het bezinksel mede komt. ^Ica
noemt deze bewerking decanteren; het heldere vocht is kalkwater.
De kalk is zeer moeijelijk oplosbaar in water; 1 lood heeft GOü
lood water noodig om opgelost te worden, het overschot blijft on-
opgelost en zet zich, daar kalk zwaarder is dan water, op den
bodem af. Dat er zieh echter kalk in het vocht bevind , toont reeds
de eigenaardige smaak. Deze smaak heet loogaehtig of alkalisch.
Men bewaart een gedeelte van het kalkwater in een goed geslo-
ten ilesehje tot nader gebruik , het zal helder en doorzigtig blijven ;
het overige stelt men iu ecu glas aan de lucht bloot, het zal spoe-
dig troebel en met een huidje overdekt worden, dat allengs dikker
wordt en zinkt. Is het water na eenige dageu weder helder ge-
worden , zoo smaakt het niet meer alkalisch, de te voren daarin
opgeloste kalk is chemisch door de lucht veranderd en daarbij
onoplosbaar geworden; hij heeft zieh, even als de aanslag der
ketels, doch in pocdervormige gedaante op den bodem neergezet.
47. Proef. Op .een lood gewoon lakmoes wordt iu een fleschje
fi lood water gedaan en dit zoo lang op eene warme plaats gezet,
tot het vocht ccnc doukcrblaauwe kleur heeft aangenomen. Lakmoes