Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
466 Ptantenstoffen.
geel gekleurd, dat zich uit de melk afzet (boter), cn daarenbo-
ven nog het mergvet en het klaauwenvet.
Hertenvet is wit en hard even als schapenvet.
Varkens- en ganzenvet zijn wel bekend. Vroeger, toen men
nog aan iedere dierlijke vetsoort bijzondere krachten tbeschreef,
werden in de apotheken tallooze soorten van vetten bewaard ,
maar tegenwoordig heeft het gewone varkensvet of de reuzel de
plaats van alle anderen ingenomen.
537. Traan wordt uit het spek der walvisschen , robben, dol-
fijnen enz. uitgebraden. De bij zachte warmte uitgesmolten traan
heeft eene gele kleur en eenen zwakken reuk, die zelfs niet onaan-
genaam is; maar wanneer zij bij sterkere hitte of uit reeds bedor-
ven vissehen verkregen is, is zij donker bruin cn alleronaange-
naamst van reuk en smaak. Traan is het meest gebruikte in-
smeermiddel voor leder; zij wordt ook veel als geneesmiddel en
tot bereiding der geringste zwarte zeepsoorten aangewend.
538. Walraat (spermaceti) is wit, glanzend en zoo hard, dat
het tot poeder kan gestooten worden; het komt in den kop van den
potvisch (cachelot) voor, in afzonderlijke holligheden ingesloten.
539. Was (cera) komt in geringe hoeveelheid in alle planten
voor, vooral in de gladde bekleedselen der bladeren, stengels en
vruchten, b. v. in de appelschillen en ook in het stuifmeel.
Eenige planten in Japan en Zuid-Amerika bevatten er zoo veel
van, dat men het er door uitkoking met water uit afscheidt en
onder den naam van plantaardig of japanseh was in den handel
brengt. Het gewone was wordt ons echter door de bijen bezorgd,
die het uit de planten zuigen en tot opbouwing harer cellen ge-
bruiken. Gedeeltelijk winnen deze insckten ook hunne was uit
de suikerhoudende sappen der planten, want naauwkeurige proe-
ven hebben aangetoond, dat zij het vermogen hebben, om suiker,
waarmede men ze voedt, als was weder uit hunne buikringen uit
te zweeten.
Het gele was verkrijgt men onmiddellijk uit de honigraten,
nadat de honig daar uit gevloeid of geperst is, door ze met
water om te smelten. Om het wit te maken of te bleeken, wordt
het in gesmolten staat uitgegoten over liggende cilinders van
hout, die in eene ronddraaijende beweging worden gehouden cn
zoodanig geplaatst zijn, dat zij voor de helft in koud water lig-
gen. Men verkrijgt het was daardoor in dunne platen, die in
de zon onder herhaalde bcsprenkeling met water gebleekt worden.
äMHüÜ