Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Verspreiding der warmte.

glas het meest, in het zilveren het minst verwarmd ia, ofschoon
al de glazen'evenveel zonnestralen ontvingen. Dit verschil wordt
daardoor verklaard , dat de zonnestralen op helder gekleurde en
glanzende ligehamen afstuiten (zij worden teruggeworpen, terug-
gekaatst of gereflecteerd), terwijl zij door ligehamen, die eene
donkere kleur hebben en dof zijn, opgeslorpt (geabsorbeerd) wor-
den. Bij deze absorptie wordt, naar het schijnt, het licht der
zonnestralen in warmte veranderd. Hieruit blijkt, waarom zwarte
kleederen warmer zijn dan witte, waarom de sneeuw spoediger
wegsmelt, wanneer men er roet of donkere aarde op strooit,
waarom chemische stoffen, die door het licht ontleed worden , b. v.
zilverzouten, chloorwater enz., in zwarte glazen onveranderd blijven.
Giet men warm water in de met papier omwikkelde glazen cn
neemt men de bekoeling van hetzelve door den thermometer waar,
zoo zal men het tegendeel bespeuren; het water in het zwarte glas
zal het snelst koud worden, dat in het met zilverpapier omwik-
kelde het langzaamst, omdat ligehamen met eene doffe oppervlakte
de warmte spoediger uitstralen, dan ligehamen met eene glanzende
oppervlakte. Om deze reden blijft koffij in eene blanke kan langer
warm dan in eene met roet besmeerde, eene gepolijste ijzeren kag-
chel langer dan in een met eene ruw gegotene oppervlakte, daarom
kan men uit eenen geschuurde metalen trekpot betere thee schen-
ken , dan uit eene porceleinen enz.
44. Door de uitstraling der warmte kan men zich ecuige alge-
meen verbreide verschijnselen in de natuur verklaren , die zonder
deze zeer raadselachtig moesten scliijnen. Waarom kunnen de
zonnestralen de sneeuw op hooge bergen, zelfs in de heetste zomers
niet doen smelten? Dewijl zij onder weg, tusschen de zon en de
aarde, ganseh niet warm zijn, maar eerst warm worden, wanneer
de ruwe oppervlakte der aarde ze opneemt en opslorpt. De sneeuw
wordt wel is waar ook door de zonnestralen getroffen, doch als een
wit en glanzend ligehaam kaatst zij die weder terug en blijft koud.
Wanneer de oppervlakte der aarde warm geworden is, zoo wordt
de lucht daardoor ook verwarmd, derhalve zullen op den dag de
onderste lagen der lucht altijd warmer moeten zijn dan de hoogere.
Dit is anders, wanneer de zon ondergegaan is. De aarde straalt
dan nog altijd warmte uit, zonder die weder te ontvangen, en moet
dus allengs kouder worden; de lucht integendeel geeft de warmte,
die zij eenmaal heeft, niet zoo spoedig weder af cn behoudt der-
halve gedurende den nacht eene hoogere temperatuur dan de aarde;
mttÊ