Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
3G Water en warmte.
warmte dan ijzeren. Wij bedienen ons zeer dikwijls van slechte
warmteleiders, om in het eene geval het spoedig warm worden,
in het andere het spoedig koud worden der ligchamen te verhoeden.
Glazen en poreeleinen vaten worden met zand of asch omgeven
(zandbad) en dan eerst verwarmd, om ze langzaam te verhitten
en alzoo het springen te voorkomen. Geschiedt de verwarming door
het ingieten eener heete vloeistof, zoo moet men er eerst slechts
eene kleine hoeveelheid in gieten, en deze eenigen tijd omschud-
den , eer men er meer bij doet. Bij het afnemen van het vuur is
het een maatregel van voorzigtigheid, de heete vaten niet op me-
taal of steen, maar altijd op slechte geleiders, stroo (strookranzen),
hout, papier, doek enz. te zetten: in het tegenovergestelde geval
ontstaan er door de plotselinge afkoeling en zamentrekking ligtelijk
barsten, ja deze kunnen zelfs door een kouden luchtstroom voort-
gebragt worden. Om zich bij het aanvatten van heete metalen
gereedschappen , b. v. oven- of kagcheldeuren, ijzeren bouten, voor
branden te hoeden, voorziet men ze van houten handvatsels; wü
men kolven of reageerbuisjes, terwijl er vloeistoffen in koken,
met de hand vast houden, zoo omwikkelt men ze op die plaats
meermalen met papier of bindtouw, opdat er zich een slechte ge-
leider tusschen het heete glas en de vingers bevinde. Hoe wij in
staat zijn het indringen der koude in de ligchamen, of juister
het ontwijken der warmte uit dezelve daardoor te verhinderen,
dat wij ze met slechte warmteleiders omgeven, dit zien wij aan
kleedingstukken , aan de boomcn en pompen, wanneer wij ze met
stroo omwikkelen, aan het zaad op do velden, wanneer zij met
sneeuw bedekt zijn, en aan ontelbare andere verschijnselen in het
dagelijksehe leven. Men noemt de slechte warmteleiders om deze
reden ook wel goede warmtehouders.
43. De ligchamen kunnen elkander slechts dan door geleiding
warmte mededeelen of onttrekken, wanneer zij elkander aanraken.
Men voelt echter ook warmte, wanneer men eenige schreden van
een vuur of een heeten oven verwijderd blijft, en men ziet, dat
de zon de aarde verwarmt, ofschoon tusschen beide eene ruimte
ligt van 20 millioenen duitsche mijlen. Deze wijze van venvar-
ming noemt men uitstraling der warmte.
Proef. Men beplakt drie glazen met papier, en wel het een
met zilver-, het ander met wit, het derde met dof zwart papier,
en plaatst ze, even hoog met water gevuld, inde zon; een ther-
mometer daarin gestoken, zal aanwijzen, dat het water in het zwarte