Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
424 Plaiitensioffen.
van smaak maakt, maar het ook grootere duurzaamheid ver-
leent.
489. Bij deze gisting valt al dadelijk de groote hoeveelheid gist,
die daarbij ontstaat, in het oog. Zij heeft zich gevormd uit de kleef-
stof der gerst, die gedurende het koken was opgelost, maar bij de gis-
ting als onoplosbare gist is neergeslagen, zij wordt, ten gevolge der
sterke ontwikkeling van koolzuur naar de oppervlakte der vloeistof
gedreven en vloeit, zoo de vaten vol zijn, boven uit het spontgat uit.
Daarom heeft men aan deze gisting den naam van bovengisting ge-
geven, in tegenstelling van eene andere, die wij aanstouds nader
zullen beschouwen. De zich hierbij afscheidende gist is het beste fer-
ment, en de bij de proef verkregene hoeveelheid is voldoende, om
het wort van een pond mout tot volkomene gisting te brengen. Hare
gistingverwekkende kracht gaat verloren, wanneer men ze hard
droogt, of kookt, of ook als men ze al te fijn wrijft; eveneens door
toevoeging van stoffen, die rotting verhinderen, als wijngeest, hout-
azijn,zwaveligzuur, vlugtige oliën enz. (Zie pag. 414) Onder het
microskoop heeft zij de gedaante van eenvoudige plantencellen (ö),
welker vermeerdering in het wort ook geheel op dezelfde wijze plaats
heeft, als in de meest eenvoudige planten; aan ieder bol-
Fig. 194. letje sluiten zich nieuwe bolletjes, even als knoppen aan.
Deze cellen zijn hol en bevatten een sap, waarin eene
eiwitachtige stof is opgelost, die, wanneer de gist in
water wordt gebragt spoedig door den wand der cellen
heen zweet en op de reeds beschreven wijze de gisting
tot stand doet komen.
Versch bier bevat altijd nog eene kleine hoeveelheid suiker en
kleefstof en ondergaat dus in de vaten, waarin het afgetapt is, even
als de wijn, nog een tweede, zwakke gistiug (nagisting). Heeft
deze plaats in gesloten kruiken of flesschen, zoodat het koolzuur niet
ontwijken kan, zoo verkrijgt men mousserend bier.
Door deze tweede gisting wordt eehter al de kleefstof nog niet af-
gescheiden, en daarom ondergaat het op deze wijze daargestelde
(ligte) bier, wanneer het aan de lucht blootgesteld is, nog verdere
veranderingen. Het is nu echter de wijngeest, die de ontleding
ondergaat; hij gaat in azijn over, en het bier wordt zuur.
490. Proef. Herhaalt men de vorige proef met die wijziging,
dat men het kokende wort tot onder 10° afkoelt, voor dat men
er gist bij doet, en laat men de vloeistof dan op eene koele plaats
staan, zoo heeft er eene zeer langzame gisting plaats, die eerst na