Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
414 Plaiitensioffen.
proteïnestoffen eene zoodanige verandering ondergaan, dat zij min-
der spoedig aan bederf onderhevig zijn.
Aan drie voorwaarden moet er in allen gevalle voldaan zijn ,
wanneer eenige proteïnestof in verrotting zal kunnen overgaan:
1" de lueht of althans hare zuurstof moet toegang tot haar hebben ,
2° voehtigheid moet aanwezig zijn en 3° moeten zij aan eene tem-
peratuur zijn blootgesteld, die bepaalde grenzen niet mag over-
sehrijden. Het is dus duidelijk, dat men de verrotting ook kan
tegengaan door eene of meer van deze voorwaarden niet te vervul-
len, door derhalve de organische stoffen, die men bewaren wil,
van de lueht volkomen af te sluiten, haar in volkomen droogen
staat te bewaren, of ze aan eene lage temperatuur bloot te stellen.
Men heeft in de industrie vooral op deze beginselen verschillende
methoden gegrond, om eet- en drinkwaren voor bederf te bewaren
(te conserveren). Wij zullen in het vervolg met deze methoden
ter gelegener plaats kennis maken.
OVEKZIGT VAN BE EIWIIACHTIGE LIGCHAMEN.
1. De eiwitachtige ligehamen komen in alle planten en levende
plantendeelen voor. Wij besluiten uit deze algemeene verspreiding,
dat zij eene gewigtige rol spelen in de levensverschijnselen.
2. Zij maken de hoofdmassa van het ligehaam der dieren uit en
worden door deze aan de planten ontleend.
3. Scheikundig en physiologisch hebben zij de grootste overeen-
komst met elkander. Uit allen wordt eene zelfde grondstof verkre-
gen, die den naam van proteïne draagt, weshalve men ze ook pro-
teïnestoffen noemt.
4. Allen zijn zij zeer zamengestelde ligehamen, die behalve de
elementen C. H. N. O., nog altijd zwavel eu dikwijls phosphorus
bevatten. Ten gevolge dezer zamengestelde constitutie gaan zij aan
vocht, warmte en lucht (zuurstof) blootgesteld, uiterst gemakkelijk
in ontleding over.
5. Door verbinding met mctaalzouten , creosoot enz. verliezen zij
die gemakkelijke ontlecdbaarheid grootendeels.
6. Komen zij iu staat van ontleding met andere organische stof-
fen in aanraking, die op zich zelve daaraan niet onderhevig zijn,
zoo slepen zij ook deze mede en bewerken, dat ook zij tot ontbin-
ding overgaan. Men noemt deze soort van verschijnselen fermen-