Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Eiwitachtige ligehamen. 413
stof deze ontbinding aan, die zich niet dadelijk door veranderin-
gen, die voor onze zintuigen bemerkbaar zijn, verraadt, maar eerst
wanneer zij tot een zeker tijdperk gekomen is, zich als dc welbe-
kende rotting openbaart. Er heerseht dus in deze stoffen eene voort-
durende neiging om zieh te ontleden, waaraan voldaan wordt, zoo-
dra de omstandigheden zulks toelaten. Komen zij in dien staat van
ontleding met andere stikstofvrije stoffen in aanrakiiig, dan worden
ook deze voorbeschikt, aangestoken als het ware, om zich ook te
ontleden, al zijn zij daarvoor op zich zelve ook niet vatbaar. Sui-
ker, cellulose enz., zijn op zich zelf en wanneer zij volkomen vrij zijn
van proteïncstofFen , bijna in het geheel niet aan verrotting onder-
worpen , maar zoodra zij met eiwitachtige ligehamen in aanraking
zijn, die zich in een aanvankelijken staat van ontbinding bevinden,
dan wordt ook bij hen de neiging tot ontleding opgewekt, en open-
baart zieh als verrotling, gisting enz. Van veel gewigt is in dit op-
zigt de verandering, die de suiker ondergaat, wanneer zij met eiwit-
achtigc stoffen, die in eenen staat van ontleding zijn, te zamen
gebragt wordt. Deze verandering, bekend onder den naam van
wijngisting, zal in het volgende hoofdstuk nader onderzocht worden.
Alzoo zijn het de in de versehillende plantaardige en dierlijke
stoffen overal cn dikwijls rijkelijk verspreide proteïnestoffen, die
de eerste aanleiding zijn tot de verschillende wijzen van bederf,
waaraan zij onder den invloed van warmte, vochtigheid eïi lucht
blootstaan. Kan men de daarin bevatte proteïnestoffen verwijderen
of in ccn toestand overbrengen, in welke zij aan verrotting niet of
althans minder onderhevig zijn, dan is daardoor de hoofdoorzaak
van de ontbinding , waardoor zij anders zouden ondergaan, opge-
heven. Daarom wordt het versch gevelde timmerhout, alvorens
het aangewend zal worden, langen tijd in water gelegd, ten einde
het sap en daarmede dc oplosbare proteïnestoffen te verwijderen.
Daarom doortrekt men ook het hout met oplossingen van zouten,
die met de proteïnestoffen dc straks beschreven moeijelijk verrottende
verbindingen aangaan. Daarom stelt men eindelijk het vleesch,
dat men bewaren wil aan de dampen van creosoot bloot, teneinde
het, althans aan de oppervlakte in eene niet gemakkelijk ontlecd-
barc verbinding tc veranderen. Daarom kookt men plantensappen,
die bewaard zullen worden op en schuimt het stollende eiwit af,
ten einde deze bron van gemakkelijke ontleding te verwijderen.
Daarom kookt men melk in den zomer op, om het snelle zuur
worden tc voorkomen, daar ook bij de kookldtte de daarin bevatte
l