Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Eiwitachtige ligehamen. 411
overvloedig nederslag ontstaan, uit eene verbinding van eiwit met
de toegevoegde stoffen bestaande. Dergelijke verbindingen kunnen
alle proteïnestoffen van het dieren- cn plantenrijk,, niet alleen met
de hier opgenoemde metaalzouten, maar ook met die van de
meeste andere zware metalen en met het creosoot aangaan. Deze
verbindingen zijn oneindig moeijelijker aan verrotting onderhevig,
dan de proteïnestoffen zelve.
Proef. Een weinig tarwemeel en een stukje gestold eiwit be-
voehtige men met sterk salpeterzuur : beide zullen eene gele kleur
aannemen, die nog hooger wordt en in oranje overgaat, wan-
neer men beide met ammonia overgiet. Ook deze reactie is aan
alle proteïnestoffen gemeen en men kan daarvan partij trekken, om
de aanwezigheid dier ligchamen in andere stoffen op te sporen.
480. Proef. Men overgiete meel of eenige erwten in een fleschje
Ei" 190 water, verbinde het door eene glazen buis
aan een tweede, tot op welks bodem de buis
reikt, giet daarin een vingerbreedte hoog wa-
ter cn late ze op eene matig warme plaats staan.
Tusschen de kurk en den hals van het eerste
fleschje steekt men een reepje loodpapier; dat
voor ccn gedeelte in het glas nederhangt. Na
eenigen tijd, vroeger of later, naargelang van de temperatuur, zal
men nu de volgende veranderingen waarnemen:
a. Uit de glazen buis ontwijken gasbellen; zij bestaan uit kool-
zuur (en eene geringe hoeveelheid waterstof), zoo als men
terstond ziet aan de troebelheid , die ontstaat, wanneer men
in het tweede fleschje wat kalkwater giet.
b. Het loodpapier wordt graauw; een bewijs, dat er zieh zwa-
velwaterstofgas ontwikkelt.
c. "Wanneer men de vloeistof van het eerste fleschje met potaseh
of kalk verwarmt, ontwikkelt zich eene stinkende, ammonia-
houdende luchtsoort, er is derhalve ook ammonia gevormd.
Vergelijkt men nu deze veranderingen met die, welke wij bij de
verrotting van stikstofvrij e stoffen hebben waargenomen, (446) zoo
vinden wij het lioofdzakelijke onderscheid hierin gelegen, dat bij
de rotting der eiwitachtige ligchamen de stikstof eu zwavel (en
phosphor) zich met de waterstof tot ammonia en zwavelwaterstof
(en phosphorwaterstof) verbinden. Het zijn voornamelijk deze gas-
sen , die den hoogst onaangenamen reuk , dien wij bij de verrot-
ting der stikstofhoudende (dierlijke) stoffen waarnemen, veroorza-