Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
410 Plaiitensioffen.
klaren, doordien zieh op de oppervlakte derzelve een weinig zwa-
velzilver vormt.
479. Naauwkeurige onderzoekingen hebben bewezen, dat de
hoofdbestanddeelen van het dierlijk ligehaam in aard en zamenstel-
ling volkomen met de behandelde eiwitachtige ligchamen van het
plantenrijk overeenkomen, en men heeft daaruit het besluit getrok-
ken, dat het deze stoffen zijn, waaruit bij de plantetende dieren
de massa des ligchaams gevormd wordt. Inderdaad wordt dit besluit
ook door de zamenstelling van het bloed volkomen geregtvaardigd,
want ook hier zijn de hoofdbestanddeelen eiwitachtige ligchamen
(eiwit en fibrine). Aangezien nu het bloed de onmiddellijke bewer-
ker der voeding is, daar uit het voedsel eerst bloed en vervolgens
nit het bloed de bestanddeelen van het dierlijk ligehaam ontstaan,
zoo ligt het besluit voor de hand, dat uit het plantaardig eiwit, de
caseïne en kleefstof, welke wij onder den vorm van brood, erw-
ten enz. tot ons nemen , de eiwitstofi'en van het bloed, en uit deze
weder die der overige ligehaamsdeelen gevormd worden. Om deze
reden hebben deze ligchamen ook den naam van bloedbestanddeelen
verkregen, en daar zij onder de- gewone plantenstoffen de eenige
stikstofhoudende zijn, zoo laat zich de meerdere of mindere voe-
dende kracht onzer plantaardige voedingsmiddelen naar hun gehalte
aan stikstof afmeten.
479*. Laten wij nu nog eenige der hoofdzakelijkste scheikundige
eigenschappen aanvoeren , die aan alle eiwitaehtige stoffen eigen
zijn en waardoor zij zich van de andere plantaardige en dierlijke
stoffen onderscheiden.
Proef. Bij de oplossing van eene of andere eiwitachtige stof in
potaseh (478) droppele men voorzigtig een weinig azijnzuur, tot
dat de vloeistof even zuur is. Men zal daardoor een wit nederslag
verkrijgen , dat altijd, wat de hoofdzaak aangaat, dezelfde zamen-
stelling heeft, welke eiwitachtige stof men ook voor de proef ge-
bruikt heeft. Men heeft aan deze stof, die het hoofdbestanddeel
der eiwitstoffen uitmaakt, den naam protdne gegeven en bestem-
pelt die klasse van ligchamen daarom ook wel met den naam van
proteïnestoffen.
Proef. Men klutse het wit van een ei met water en filtrere
de vloeistof, waardoor men eene heldere oplossing van eiwit ver-
krijgt. Van deze vloeistof vermengt een gedeelte met eene oplos-
sing van kopervitriool, een ander met sublimaatoplossing en ecu
derde met creosootwater (439). Er zal in de drie vloeistoffen een