Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Eiwitachtige ligehamen. 409
Deze drie zijn de hoofdstoffen eener uitgestrekte klasse van lig-
chamen, die door het geheele plantenrijk verbreid zijn, en die in
chemische eigenschappen en zamenstelling in het naauwste verband
tot elkander staan. Men omvat ze onder don naam van eiwitach-
tigc stoffen, omdat de meest algemeen in het plantenrijk voorko-
mende, het planteneiwit, de welbekende eigenschap van het wit
der vogeleijcren, om bij verhitting te stollen of te stremmen , deelt.
De eiwitaehtige stoffen zijn van de grootste beteekenis voor het
leven; in elk plantendeel treft men ze aan, het zij in opgelosten
staat (het plantcnei-wit van het sap) , het zij in oplosbaren staat
(de plantencaseïne der erwten), of in onoplosbarcn toestand (de
plantenlijm der granen), en men mag wel beweren, dat er zonder
haar geen leven bestaan kau. Zelfs in de pasgcvormde jeugdige cel
treft men ze reeds aan en in die deelen der plant, die de kiem voor
een volgend geslacht bevatten, waar het leven zich dus als het ware
concentreert. In de zaden zijn zij altijd in aanzienlijke hoeveelheid
bevat. Allen zijn zeer zamengestelde ligchamen en daardoor (zie 420)
geschikt om in dc plant de meest verschillende scheikundige veran-
deringen te ondergaan en tot de m^est uiteenloopende doeleinden te
dienen. Zij bevatten behalve C. H. N cn O nog altijd zwavel en
vele ook phosphorus.
De aanwezigheid van zwavel in deze ligchamen laat het gemak-
kelijk op de volgende wijze aantoonen.
Froef, Men bereide nog eens planteneiwit (het best door koking
van het uitgeperste sap van fijn gesneden witte kool), planten-
caseïne (uit erwten) cn plantenlijm (uit tarwemeel), cn neme met
elke dezer stoffen de volgende proef. Men brengt ze in een buisje,
overgiet ze met zeer slappe potasch en verwarme zacht gedurende
eenigen tijd: allen worden daarbij opgelost, en dit is eene alge-
meene eigenschap, die aan alle eiwitachtige stoffen, onder welken
vorm zij ook mogen voorkomen, gemeen is. Van deze oplossing
brenge men een droppel op een stukje loodpapier (papier, dat in
eene oplossing van loodsuiker gedoopt is), en bemerkt dan dat zij
daarop eene bruine vlek achterlaat. Deze bruine kleur wordt ver-
oorzaakt door zwavellood, een bewijs, dat door de potasch tevens
zwavel is opgelost. Voegt men nu bij de vloeistof een weinig
zwavel- of zoutzuur, zoo laat de zwavel zich ook door den reuk
onderkennen, daar er zieh zwavelwaterstofgas (213) ontwikkelt.
Het zwart worden van zilveren lepels, wanneer zij lang in ge-
kookte erwten blijven liggen, laat zich nu ook zeer natuurlijk ver-