Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
404
Plaiitensioffen.
is waar ook bewerken, maar eerst bij de kookhitte, of na inwer-
king van eenige dagen. Door het opnemen van deze zuurstof gaat
de suiker tot een geheel nieuw , zuur ligehaam over, hetwelk
mierenzuur heet. Zelfs in zeer verdunde oplossingen laat zich de
druivensuiker langs dezen weg nog onderkennen.
474. Melksuiker noemt men eene suikersoort, welke voorname-
lijk in de melk voorkomt en aan deze haren aangcnamen zoeten
smaak geeft. Men verkrijgt ze in harde witte kristallen , wanneer
men zoete wei afdampt. De melksuiker smaakt nog veel minder
zoet, dan de druivensuiker , en heeft 6 deelen koud water noodig,
om opgelost te worden. Gelijk bekend is, wordt zoete melk na
eenigen tijd zuur; dit zuurworden wordt veroorzaakt, doordien de
melksuiker zich langzamerhand in een zuur, melkzuur, omzet.
De melksuiker wordt veel in de geneeskunde gebruikt.
Tegenover kopero])lossing en potaseh verhoudt zieh de melksui-
ker even als de vruehtsuiker.
Al deze opgenoemde suikersoorten komen in zamenstelling met
elkander overeen: Sommige bevatten eehter meer waterstof en
zuurstof (in de verhouding waerin zij water vormen) dan andere,
zoodat men beweren kan, dat zij alleen in watergehalte verschil-
len. Daarenboven hebben zij de eigenschap gemeen , dat zij allen ,
hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk in gisting kunnen overgaan.
De zoete stoffen, die in manna (het gedroogde sap van eenige,
hoofdzakelijk in Italië groeijende esschcnboomen) en zoethout voor-
komen en die den naam van Mannite en Glyzyrrhizine dragen,
behooren niet tot de suikersoorten. Zij wijken in zamenstelling
daarvan aanmerkelijk af cn missen de eigenschap, om in gisting
te kunnen geraken.
VERANDEKIlfGEN HEK SÜIKEE.
476. a. Verandering door warmte. Proef. Men koke in een
schaaltje 1 lood suiker cn 1 drachme water zoo lang, tot dat de
dikke vloeistof eene geelachtige kleur begint aan te nemen. Wan-
neer men ze dan op een stuk blik, dat men met eenige droppels
boomolie bestreken heeft, uitgiet, zoo verkrijgt men eene glasach-
tige, brooze massa, amorphe suiker (gerstensuiker, bonbons). Het
water lost de suiker eerst op, maar wordt door de warmte weder
verdreven en de suiker gaat alzoo langzamerhand van den opge-
losten in den gesmolten toestand over. Dc geelachtige kleur duidt