Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Suiker.
403
]iect raffinade of melis, do minder volkomen geraffineerde geelach-
tig witte, lompsuikcr.
Proef. Men losse 1 lood suiker in ^ lood heet water op; de
verkregen dik vloeibare oplossing heet witte stroop. AVordt zij in
een kopje op eene warme plaats gezet, zoo scheidt de suiker zich,
Fig. 188. bij langzame verdamping van het water, in scheeve
zeszijdige zuilen daaruit af. Op deze wijze be-
reidt men in het groot uit geraffineerde suiker de
witte kandij, uit ruwe suiker de bruine kandij.
Daar kristallen zich veel eerder op ligehamen,
die eene ruwe oppervlakte hebben, afzetten, dan
aan de effene wanden van het vat, zoo spant men meestal dunne
draden of staafjes hout in de suikeroplossing uit, cn deze over-
trekken zich dan zeer spoedig met eene laag kristallen.
. 473. De rietsuiker smaakt, zoo als wij reeds opgemerkt hebben,
veel zoeter dan de vruchtsuiker, en heeft derhalve voor huishou-
delijk gebruik eene veel grootere waarde dan deze. Onder de
tegenwoordige in den handel voorkomende witte suiker vindt men
echter niet zelden soorten, die geheel of gedeeltelijk uit druiven-
suiker bestaan.
Proef. Men overgiete in een reageerbuisje een stukje rietsuiker,
in een ander een weinig druivensuiker of slijmsuiker met sterk zwa-
velzuur ; verwarmt men beide zacht, zoo wordt de rietsuiker zwart
en verkoolt, de druivensuiker niet. Het omgekeerde geschiedt, wan-
neer meu beide suikersoorten met potaschloog verwarmt; hierbij
neemt de druivensuiker eene donkere kleur aan, maar de rietsui-
ker niet.
473*. Proef. Nog naauwkeuriger laten beide soorten zich door
eene andere proef onderschcideu. Men losse een weinig rietsuiker
cn eenige druivensuiker of slijmsuiker op, en vermenge elke op-
lossing eerst met eenige droppels kopcrvitriooloplossing, en dan
met overmaat van potascUoog. De suiker verhindert, wanneer hij
in genoegzame hoeveelheid aanwezig is , de praecipitatie van het
koperoxyde en men verkrijgt fraai blaauwe, heldere oplossingen.
Wanneer men dan beide glaasjes in heet water plaatst, dan wordt
de vloeistof, die de druivensuiker bevat, binnen weinige minuten
roodgeel van kleur, terwijl die met rietsuiker blaauw blijft. De
druivensuiker is namelijk in staat, het koperoxyde van de helft
van zijne zuurstof te beroovcn, en daardo\)r ontstaat koperoxydule,
dat roodgeel van kleur is; de rietsuiker kan deze verandering wel
26*