Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Suiker. 401
verandering grijpt plaats bij behandeling met zwavelzuur , bij het
zetmeel en de dextrine ook onder den invloed van mout of diastase.
De vloeistoffen, op deze wijze verkregen, zijn geeoncentreerde op-
lossingen van suiker in water. Dampt men ze sterk in, dan zon-
dert zieh, nadat zij eenen tijd lang rustig gestaan hebben, een
kruimelig bezinksel op den bodem van het vat af, terwijl een ge-
deelte vloeibaar en dik blijft. De zoo verkregen suiker, die uit
kleine korreltjes bestaat, is kristalliseerbare vruehtsuiker of druiven-
suiker, het vloeibaar geblevene eehter, hetwelk altijd weder voeh-
tigheid aantrekt en vervloeit, al dampt men het ook geheel uit,
onkristalliseerbare of slijmsuiker.
Iets dergelijks bemerken wij ook bij den honig. Wordt deze
namelijk, wanneer hij uit honigraten is uitgelekt, langen tijd be-
waard, zoo verdeelt zich de massa, die eerst gelijkvormig vloei-
baar was, in twee deelen, in een kruimelaohtig bezinksel en eene
stroopachtige vloeistof; het eerste bestaat uit druivensuiker, de
laatste uit slijmsuiker. Druivensuiker wordt ook in vele planten
gevormd en verzamelt zich vooral in groote hoeveelheid in vele
vruchten, b.v.pruimen, kersen, peren, vijgen, druiven enz. Het
witte beslag der gedioogde pruimen en de witte zoete korreltjes in
de gedroogde druiven (rozijnen) bestaan daaruit. Van daar haar
gewone naam vrucht- of druivensuiker.
Proeft men een gedroogd suikerkorreltje uit eene rozijn en een
kruimeltje gewone suiker, dan zal men spoedig bemerken, dat het
eerste veel minder zoet smaakt, dan het laatste; lood druiven-
suiker geven niet meer zoetheid dan 1 lood gewone suiker. Even
zoo verschilt ook de oplosbaarheid dezer beide suikersoorten in
water; de druivensuiker lost zich namelijk veel langzamer op , dan
de gewone suiker, en terwijl 1 lood koud water van de laatste 3
lood oplost, kan het van de druivensuiker slechts \ lood opnemen;
de oplossing (stroop) van gewone suiker is dus ook veel dikker en
zoeter, dan die van druivensuiker.
471. Met den naam van slijmsuiker bestempelt men gewoonlijk
ook al die suikersoorten, die bij het verdampen harer oplossing
geene vaste kristallen, maar sleehts eene gemakkelijk smeltbare
amorphe massa geven, die bij het liggen aan de lucht weder wa-
ter aantrekt en vervloeit. In het dagelijksehe leven noemt men
deze suikersoorten gewoonlijk stroop.
472. Van de voorgaande suikersoorten verschilt onze gewone
(v-itte suiker, die men of in de tropische landen uit het sap van
26
Jl