Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
400
Plantenstoffen,
voor, b. V. in de bladeren der malve en latuw, in de althéa- en
salebwortels, in het lijnzaad, de kweepitten, de ijslandsehe- en
parelmos enz. In de kweepitten kan men deze slijm regt duidelijk
waarnemen, daar zij de pitten als een witaehtig , doorsehijnend
omkleedsel bedekt; 1 draehme kweepitten zijn voldoende om 4 pond
water tot eene dikke slijm te maken.
468. Proef. Overgiet men gom van kersen- of praimenboomen
met eene groote hoeveelheid water, zoo lost zij zich na eenigen tijd
gedeeltelijk op (gom); een gedeelte blijft echter als eene opgezwol-
len massa achter (plantenslijm); deze beide plantensappen zijn der-
halve als mengsels van gom en plantenslijm te beschouwen.
469. Pectine. Het sap van vele zaden en wortels, b. v. van
aal- en kruisbessen, kersen, appelen, knollen enz. bevat eene eigen-
aardige stof, waardoor zij de eigenschap erlangen van, nadat zij
met suiker gekookt zijn, bij bekoeling tot eene geleiachtige massa
te verstijven. Men heeft deze slijmsoort, aan welke het stremmen
der vruohtsappen toe te schrijven is, den afzonderlijken naam
pectine (plantengelei) gegeven.
IV. SUIKEE. (Saccharum.)
470. Ouder den naam van suiker begrijpt men in de scheikunde
niet alleen datgene, wat wij in het dagelijksehe leven met dien
naam bestempelen , maar een aantal stoffen, zoowel kunstmatig
als onmiddelijk uit onderscheidene plaatsen verkregen, die zoet
van smaak zijn en de eigenschap bezitten, om, wanneer hare wa-
terige oplossing met gist gemengd wordt, in gisting te geraken en
daarbij iu eene spiritueuse vloeistof veranderd worden.
Er zijn een aantal van dergelijke stoffen uit het plantenrijk be-
kend, die in twee hoofdsoorten worden gesplitst: vruchtsuiker en
rietsuiker. De eerste soort vervalt nog in twee ondersoorten:
Kristalliseerbare vruchtsuiker, die men ook wel druivensuiker
noemt, en onkristalliseerbare vruchtsuiker, waaraan men ook den
naam van slijmsuiker geeft.
Dat cellulose, zetmeel en dextrine in suiker kunnen worden om-
gezet, hebben wij reeds in eene voorgaande afdeeling gezien. Deze