Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Verandering van het zetmeel in gom en suiker. 397
durende de kieming de omzetting van het zetmeel in dextrine en
suiker begint; men verhindert dan eehter de verdere omzetting door
droogen. Opmerkelijk is het eehter, dat deze verandering bij de
kieming reeds bij gewone temperatuur plaats grijpt, terwijl er eene
temperatuur van 75° daartoe noodig is, wanneer men ze kunstma-
tig nabootst, door zetmeel met moutaftreksel te behandelen.
Laat men de gekiemde gerst voortgroeijen, zoo vedwijnt lang-
zamerhand al het zetmeel uit den graankorrel en gaat als dextrine
en suiker in de jonge plant over, gelijk men aan haren zoeten
smaak en aan de slijmigheid, wanneer men ze tusschen de vingers
stuk wrijft, bemerkt.
Ook bij de aardappelen kan men zulk eene verandering duidelijk
waarnemen. In 100 pond van dezelfde aardappelensoort heeft men
de volgende hoeveelheden zetmeel gevonden:
in Augustus 10 pond. September 14., October 15, November 16,
December 17, in Januarij 17, Februarij 16, Maart 15, April 13,
Mei 10 pond.
In den herfst neemt alzoo het amylumgehalte in de aardappelen
toe, in den winter blijft het gelijk- en in het voorjaar, wanneer de
kiemkracht zich ontwikkelt, neemt het af. Het is genoeg bekend,
dat de aardappelen bij het kiemen week , slijmig en naderhand zoet
worden; de zich uit het zetmeel vormende dextrine maakt ze slij-
mig, en de suiker, die uit de dextrine ontstaat, maakt ze zoet.
Het zetmeel is in water niet oplosbaar, dextrine en suiker wel.
Wanneer dus het eerste in een van beide laatsten is overgegaan,
kan het in opgelosten staat door het sap naar andere plantendeclen
gevoerd en gebruikt worden ter opbouwing van den wand van
nieuwe jonge cellen. De aardappel wordt steeds weeker en wate-
riger , en wanneer al het amylum ter voeding van de jonge plant
verbruikt is, vangt een nieuw ontledingsproces aan, welks pro-
ducten, koolzuur, water en ammonia, als voedingsmiddelen voor
de nu reeds oudere plant moeten dienen.
474. Onrijpe appelen en peren worden door jodiumtinctuur
blaauw gekleurd, een bewijs, dat zij zetmeel bevatten; volkomen
rijp zijnde, vertoonen zij deze reactie rdet meer ; het zetmeel is
alzoo gedurende het rijp worden verdwenen. Wat daaruit ontstaan
is, verraadt reeds de smaak dezer vruchten; zij zijn zoet en wij
moeten derhalve aannemen, dat ook hier eene omzetting van zetmeel
in dextrine cn in suiker heeft plaats gehad. Ook de vorst kan zulk
eene werking voortbrengen ; want wij weten, dat bevroren aardap-