Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Verandering van het zetmeel in gom en suiker. 393
Is al het zetmeel er ingebragt, dan laat men de vloeistof nog
eenige minuten koken, neutraliseert het zuur met krijt en dampt
de afgefiltreerde vloeistof zoo ver af, tot dat zij eene dikke
stroop geworden is. Deze heeft eenen zeer zoeten smaak en be-
staat uit eene oplossing van suiker in water. De zoo vervaar-
digde stroop (aardappelenstroop) en eene daaruit verkrijgbare vaste
witte suikersoort, zijn tegenwoordig beide veel gebruikte han-
delswaren.
Reeds vroeger hebben wij gezien, dat door de inwerking van
zwavelzuur op cellulose zetmeel ontstaat; de laatste proeven leeren
ons, dat verdund zwavelzuur verder het zetmeel bij zwakke ver-
hitting in gom, bij sterkere in suiker veranderd. Ook in het laatste
geval ontstaat eerst dcxtrine, welke echter daarna in suiker over-
gaat. Men kan derhalve de inwerking van het zwavelzuur in drie
tijdperken vcrdeelen :
in het eerste tijdperk verandert het cellulose in zetmeel;
in het tweede tijdperk gaat het zetmeel in gom (dextrine) over;
in het derde ontstaat uit de dextrine suiker.
Het zal thans niet meer verwonderen, dat men u-it alle planten-
deelen, wanneer zij slechts cellulose, zetmeel of gom bevatten,
suiker kan maken: hout, papier, linnen en katoenen lompen en
allerlei afval vanplantaardigen oorsprong zijn grondstoffen, waaruit
suiker kan worden gemaakt; wel niet onze fraaije witte broodsui-
ker, maar meestal eene stroop, die zoet van smaak is cn, zoo als
wij later zien zullen, met de gewone suiker in hoofdeigenschappen
overeenstemt.
400. Hoe deze inwerking plaats grijpt, is eene vraag, die men
voor als nog niet in staat is te beantwoorden. Cellulose, zetmeel,
gom en suiker hebben dezelfde zamenstelling (zij zijn isomerisch);
hun verschil in eigenschappen berust derhalve op eene verschillende
groepering der koolstof, waterstof- en zuurstofatomen en het is het
zwavelzuur, dat deze verandering in de plaatsing der atomen voort-
brengt. Van het zwavelzuur echter is niets ontleed of gebonden
geworden, want men vindt in het gevormde gips naauwkeurig de
gebruikte hoeveelheid terug; het zwavelzuur werkt hier derhalve
op eene geheel andere wijze dan gewoonlijk, even als het platina-
zwam bij de vereeniging van zuurstof en waterstof tot water; het
veroorzaakt hier , gelijk ook bij andere ligehamen , ccnc chcmiselie
werkzaamheid, zonder zelf eenige verandering te ondergaan. Deze
eigenaardige werkingswijze van het zwavelzuur cn het platinazwam