Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
388 Plardeustoffen.
4. Door het met zoutoplossingen te doortrekken, die de ver-
rotting tegengaan, b. v. met kwiksublimaat (eyaniseren), kalk
(inerusteren), ijzeroxyde (metalliseren) enz.
II. ZETMEEL OP AMYLUM.
451. Uit het sap, hetwelk in de cellen der planten bevat is,
zet zich bij de meeste gewassen, voornamelijk in het tijdperk van
het rijpworden der vrucht, eene soort van meel af, welke onder
den naam van zetmeel of amylum bekend is.
Fig. 182. Hetgeen zich aan het bloote oog als meel-
deeltjes voordoet, herkent men dooreen sterk
vergrootglas als kleine , meestal eironde korrel-
tjes of kogeltjes; hoe deze in de planten lig-
gen, ziet men uit nevensgaande figuur, die
eenige cellen uit de doorsnede van eenen aard-
appel voorstelt.
Wordt eene frissche plant in water stukge-
wreven en uitgeperst, zoo gaat een groot ge-
deelte van het zetmeel met het sap uit de plan-
tencellen en zet zich , wanneer men de vloeLstof rustig laat staan,
als een meelachtig bezinksel af. Hieruit verklaart zich deszelfs naam
zetmeel. De aardappelen, graankorrels en de peulvruchten bevatten
vooral veel daarvan.
Aardappelen. Proef. Men raspe eenige aardappelen, knede de
verkregen brij met een weinig water te zamen , en drukke dezelve
door een linnen lapje; de cellenstof blijft terug, en het sap loopt
met het grootste gedeelte der zetmeelkorreltjes door. Laat men de
troebele vloeistof een uur rustig staan, zoo wordt zij helder, daar
het zwaardere zetmeel zich op den bodem afzet. Men giet de vloei-
stof af, reinigt het zetmeel door er herhaaldelijk frisch water op te
gieten en te laten bezinken, en droogt het eindelijk op eene niet al
te warme plaats.
Proef. De van het zetmeel afgegoten vloeistof wordt in eene kolf
verhit: zoodra zij nabij het kookpunt komt, wordt zij troebel cn laat
eindelijk een graauwwit ligchaam vallen, hetwelk men aftiltreert.
Het is hetzelfde ligchaam, dat reeds in 430 vermeld is, planten-