Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Veranderingen der plantencellenstof. 387
door het water bij ellcander gebragt cn met klei- en aardlagen
overdekt werden; zij moest des te volkomener plaats hebben naar
mate de drukking grooter was en de ontleding langer duurde. De
steenkolen vinden wij gewoonlijk op grootere diepte en tusschen
oudere berglagen (in het overgangsgebergte), dan de bruinkolen,
die meestal digter bij de aardoppervlakte tusschen later gevormde
berglagen (in het tertiair gebergte) voorkomen: en wij besluiten
hieruit, dat de steenkolenformatie in een veel vroeger tijdperk,
dan die der bruinkolen, eenen aanvang nam. Welk eene oneindige
verscheidenheid bij deze ontleding plaats vond , naar gelang der ver-
schillende plantensoorten, en naar mate water, warmte, lueht of
drukking meer of minder medewerkten, zien wij aan dc verschei-
denheid der gevormde producten. Vele soorten van steen- en bruin-
kolen branden met eene heldere vlam, andere met eene mindere,
nog andere geheel zonder vlam; velen smelten in dc hitte (bak- of
smeêkolcn), anderen vervallen tot poeder (zandkolcn), velen geven
slechts 1 procent asch, anderen 25—30 procent enz.
450. Proef. Men vuile des zomers een fleschje met bevochtigd
houtzaagsel, make het digt en 'late het eenige maanden staan:
het hout zal langzamerhand zijnen zamenhang verliezen en tot eene
lichtgekleurde massa, die men fijn wrijven kan, vervallen. In de
lucht van het fleschje kan dan een aangestoken zwavelstok niet
meer branden; zij bevat namelijk geene vrije zuurstof meer, maar
slechts koolzuur; het water is insgelijks verdwenen, het heeft zich
chemisch met de ccllenstof verbonden. Eene dergelijke verandering
heeft zeer dikwijls in het binnenste der boomstammen plaats , wan-
neer de lucht niet genoegzaam toetreden kan: op deze wijze ontstaat
het zoogenaamde vermolmde hout. Heeft de lucht vrijen toegang,
zoo vormt zich eene aardachtige bruine massa (humus, ulmine), zoo
als wij ze in holle olmen, wilgen, linden en andere boomen aan-
treffen.
De ontledingen, waaraan het hout door verrotting onderhevig
is, laten zich op menigvuldige wijzen verhinderen en vertragen
en wel:
1. Door sterk droogen, waardoor het water der sappen verdre-
ven wordt.
2. Door uitloogen met water of waterdamp, waardoor het sap
opgelost en verwijderd wordt.
3. Door overtrekken met ligchamen, die het indringen van het
water verhinderen, b. v. vernis, teer , pek enz.
25»