Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
386 Veranderingen der plantencellemtof.
bevat, dat het als mineraalwater (zuurwater) gebruikt kauworden.
Vindt het onder weg ijzeroxydule, kalk, magnesia enz. in den
bodem, zoo lost het door zijn koolzuurgehalte, kleine hoeveelheden
dezer stoffen op (237 , 276.) Op deze wijze ontstaan vele in de
natuur voorkomende minerale wateren, b. v. de beroemde bronnen
te Mariënbad enz.
449. Behalve de turf, treffen wij nog twee andere soorten van
ontlede plantenstoffen in de aarde aan, welke insgelijks wegens
haar groot koolstofgehalte als brandmaterialen gebruikt worden,
de bruinkolen en steenkolen. Beiden zijn de overblijfselen eener
plantenwereld, die de aarde bedekte, voor nog de menseh haar be-
woonde. Hoogst waarsehijnlijk zijn zij uit de planten van eenen
vroegeren tijd daardoor ontstaan, dat deze door overstroomingen
en andere meer of minder geweldige omwentelingen, die de aard-
korst onderging, onder groote zand- en aardlagen bedolven en in
de diepte der aarde op eene naar verrotting gelijkende wijze ontleed
zijn geworden, terwijl het zand in zandsteen, de kleiaarde in aluin-
sehiefer overging. Daar, waar de aardlagen niet toereikende waren,
om het ontwijken van het koolzuur en het moerasgas te verhinde-
ren, b. v, bij vele soorten van bruinkolen, is de structuur van het
hout dikwijls zoo goed bewaard gebleven, dat wij de jaarringen aan
hetzelve kunnen herkennen (bitumineus hout). Op andere plaatsen
is echter het hout in eene bruine massa veranderd, die met de hu-
mus of de baggerturf groote overeenkomst heeft (aardachtige bruin-
kolen). Was de drukking, die de bovenliggende aardlagen uitoe-
fenden , zoo sterk, dat de bij de verrotting der planten zieh vor-
mende gassoorten niet konden ontwijken, zoo moesten zij noodza-
kelijk bij de koolmassa terug blijven. Hieruit en uit de sterke
zamendrukking, die eene aard- of steenlaag van welligt duizend ,
ja duizende voeten uitoefent, verklaart zich de steenachtighcid cn
digtheid van vele koolsoorten, vooral der steenkolen, en vervol-
gens ook dc eigenschap , om met vlam te verbranden. De in dezelve
verdigte gassen, koolzuur en lichtgas, verkrijgen wij weder uit
dezelve, wanneer wij de kolen in eene retorte verhitten.
Het is eene algemeen bekende zaak, dat plantaardige stoffen,
als gras, hooi, mest enz.; wanneer zij nat zijn cn vast op elkander
gepakt liggen, onder verhitting in eene zwarte, koolrijke massa
veranderen; deze soort van verrotting of verkoling, die wij hier
in het klein waarnemen, moest ook in het groot plaats hebben,
wanneer bij eene aardrevolutie aanzienlijke massa's plantenstoffen.