Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
384
Veranderingen, der plantencellenstof,
heeft de ontleding der cellenstof plaats, wanneer de lucht geenen,
of slechts onvolkomen toegang heeft, wanneer b. v. de ontleding
onder water plaats heeft, zoo als wij ze iu slooten, moerassen
en rivieren waarnemen.
Troef. Men roere met eenen stok in den grond van eene
Fig. 180.
sloot en vange de omhoog
stijgende luchtbellen in eene
daar boven gehouden met
water gevulde flesch op; de
flesch wordt onder water •
digt gemaakt, wanneer al
het water er uit is. Men
giet nu in dezelve een wei-
nig water, werpt er een
stukje bijtende potaseh of
kalk in, maakt ze snel digt
en schudt ze eenige minuten lang. Wanneer men dan de flesch
onder water weder opent, zal er eenig water indringen, daar
de potaseh een gedeelte van het gas opgeslorpt heeft. Het gas,
dat verdwenen is, was koolzuur. Houdt men nu eenen branden-
den zwavelstok boven do opening der flesch en drijft men het
Fig. 181. overige gas er door ingieten van water uit, zoo
ontvlamt het cn brandt met eene blaauwe vlam.
Men noemt dit gas moerasgas (ligt koolwaterstofgas);
het bestaat uit koolstof en waterstof, even als het
gewone lichtgas, maar het bevat naar evenredig-
heid minder koolstof en brandt daarom mot eene
minder licht gevende vlam. Deze beide gassoorten,
koolzuur en moerasgas, zijn uit hout, bladeren,
takken, wortelen enz. van planten ontstaan, die in
het water kwamen, op den bodem zonken en daar ontleed werden.
Bij eene ontoereikende hoeveelheid zuurstof verbindt zich dus
de waterstof der plantenstoffen met een gedeelte der koolstof, ter-
wijl zij zich, bij overvloedige zuurstof, alleen met deze verbindt.
Ook hier blijft eene koolstofrijke, naar hiunus gelijkend stof
over, die zich in slooten als zwarte slib, in moerassen als turf
voordoet. Deze wijze van ontleding heeft eenige overeenkomst met
de verandering, welke het hout bij de onvolkomene verbranding
(verkoling, drooge destillatie) ondergaat, zoo als het volgend
schema toont.