Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
382 Veranderingen, der plantencellenstof,
de vegetatie verteerde humus door aanvoer van stroo cn dierlijke
excrementen of van groene planten (bemesting), of door afwisse-
ling van planten, die vele wortels in den bodem achterlaten met
dezulken, die weinige wortels uitschieten (graan) in zijne veldcu
te vervangen. Op een stuk land, dat met klaver bebouwd is
geweest, blijven duizende ponden wortels in de aarde achter,
maar slechts —J van de hoeveelheid, wanneer het met graan
was bebouwd geweest, en het is dus duidelijk, dat zich in het
eerste geval 5—6 maal meer humus door de verrotting der wor-
tels vormen moet, dan in het laatste. De vermeerderde vrucht-
baarheid, op deze wijze verkregen, is echter geenszins alleen aan
de humus toe te schrijven, maar ook de anorganische stoffen
(zouten en aarden), die in de mest en in den bodem bevat zijn,
hebben daaraan een groot aandeel (612).
Beschouwt men het ontstaan van den humus, zoo zal men bemer-
ken, dat onder dezen naam stoffen van zeer verschillenden aard
moeten voorkomen; immers in hare zamensteUing verandert dage-
lijks, daar dagelijks een weinig koolstof en waterstof geoxydeerd
cn afgescheiden wordt. Zeer oude humus kan ligt ééns zoo veel,
ja nog meer koolstof bevatten,' dan jonge. Nog onbepaalder zou
de naam humus worden, wanneer de scheikundigen nog andere
bruine en zwarte stoffen met dezen naam bestempelden, die zich
bij het afdampen van plantensappen of afkooksels uit hout, zet-
meel, suiker enz. vormen, wanneer men deze stoffen met zuren
of alkaliën kookt. De benaming humus zou op deze wijze alge-
meen worden voor alle uit plantaardige en dierlijke stoffen ge-
vormde ligehamen, die er zwart uitzien cn in water niet of ten
minste moeijelijk oplosbaar zijn. Van de door verrotting gevormde
humus, zoo als wij dezelve in de tuinaarde vinden, gelooft men
tegenwoordig, dat het een mengsel is van meerdere zelfstandige,
bruine stoffen, namelijk ulmine, humine, ulminczuur, huminezuur,
geïnezuur, bronzuur en bronafzctselzuur, die zich in de opgenoemde
orde na elkander uit de plantaardige stoffen vormen. De beide
laatsten, bron- en bronafzctselzuur zijn in water oplosbaar cn
veroorzaken gedeeltelijk dc gele of bruinachtige kleur, welke wij
bij het moeras- of turfwater bemerken; de drie andere zuren zijn
slechts bij aanwezigheid van alkaliën in water oplosbaar; dc beide
eerstgenoemde stoffen eindelijk, ulmine en humine, zijn noch in
water, noch in alkaliën oplosbaar. Wij hebben ons derhalve onder
de uitdrukking humus ccn mengsel van bruine, gedeeltelijk ou-