Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
375 Veranderingen, der plantencellenstof,
dikwandige cellen waaruit het linnen bestaat, bevatten veel meer
van die verdikkende lagen, dan de bijna geheel nit zuivere
oellulose bestaande cellen der boomwol, en worden daarom veel
meer door potaseh gekleurd, dan deze laatsten.
Proef*. Men herhale dezelfde proef met zijden en wollen
draden, beiden zullen door koking met potaseh geheel worden
opgelost. De dierlijke stoffen , waaruit deze beide bestaan, zijn
namelijk in potaseh oplosbaar. Op deze wijzen kan men de ver-
schillende weefsels , die in het dagelijksehe leven in gebruik zijn
voor kleedingstoffen enz. onderscheiden.
C. Dom- warmte.
436. Wordt cellulose of eenig plantendeel bij toetreding der
lucht aan hitte blootgesteld, dan verbrandt het: zijn er auoiga-
nische stoffen in aanwezig, dan blijven deze terug.
Veranderingen van het hout bij afsluiting der lueht.
Woidt hout bij ongenoegzame toetreding van lucht verhit, zoo
als dit b. V. in onze meeste kagchels het geval is, zoo wordt een
deel der organische stof niet geheel verbrand, en er stijgt een
dikke rook omhoog, uit de half verbrande dampen en fijn ver-
deelde stoffen bestaande; in den schoorsteen zet zich aan de wan-
den een gedeelte daarvan als roet af. De waterstof verbrandt
eerder dan de koolstof en dientengevolge bestaat het roet hoofd-
zakelijk uit koolstof of zeer koolstofrijkc stoffen. Een deel der
verbrandende koolstof neemt ook maar half zoo veel zuurstof op
als bij volkomen toetreding der lucht en er vormt zich, behalve
koolzuur, nog kooloxydegas (kooldamp). Dat behalve deze twee
zich echter nog meer andere eigendommelijke stoffen vormen, be-
wijst reeds dc prikkelende reuk van den rook die uit den schoor-
steen ontwijkt.
Proef. Men onderwerpe hout, zoo als in 119 beschreveu is,
aan eene drooge destillatie; men verkrijgt daarbij 4 verschillende
stoffen, die door hun uitwendig aanzien ligt te onderscheiden zijn :
1. houtskool, die niet vlugtig zijnde, terugblijft, 2. een meng-
sel van brandbare gassen, (koolwaterstofgas, kooloxydegas, ook
koolzuur), 3. houtazijn, eeue waterachtige, zure vloeistof, 4. hout-
teer, eene dikke , bruine, harsachtige vloeistof. De beide eerste