Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
372 Plaiitensioffen.
Het papier wordt vervaardigd uit linneu en katoenen lompen,
die mechanisch verdeeld en daarop met chloor gebleekt worden.
Dikwijls blijft er nog door zorgelooze behandeling een weinig
chloor in over, dat het papier broos maakt en na eenigen tijd
het daarop geschreven schrift doet verbleeken.
Hoe gewigtig de genoemde soorten van buigzame ccllenstof
wegens hare aanwending voor garen, touwwerk en allerhande
soort van weefsels zijn, is genoeg bekend: wij kleeden ons in
ccllenstof, wij schrijven en drukken er op, bouwen er onze wo-
ningen mede enz.
veranderingen dee plantenceiilenstoï.
A. Boor zuren.
43é. Hout, in sterk zwavelzuur gedoopt, wordt verkoold, in
salpeterzuur geel gekleurd en bij langere inwerking geheel ont-
leed, zoo als reeds 130 en 143 aangemerkt is. Het zwavelzuur
onttrekt aan het hout waterstof en zuurstof, die zich tot water
verbinden en naar het zwavelzuur gaan: het salpeterzuur geeft
zuurstof af, en werkt dus oxyderend; bij langdurige behandeling
met salpeterzuur gaat eindelijk de koolstof in koolzuur en de wa-
terstof in water over: het bewerkt dus eene verbranding langs
den natten weg. Chloor ontleedt de plantenvezels door onttrek-
king van waterstof. (430).
De verkleuring, die salpeterzuur en zwavelzuur aan hout mede-
deelen, is echter een gevolg van de aanwezigheid van vreemde
stoffen (voornamelijk de verdikkende lagen), die daarin nevens
cellulose voorkomen. Op zuivere cellulose hebben deze beide
zuren eene geheel andere inwerking.
Proef*. Men vermengc zwavelzuur met ï a | van zijn volume
water en weeke in een gedeelte daarvan, nadat het bekoeld is,
eenige vlokjes watten. Bij het kneden met een glazen staafje
zal men bemerken , dat de celvorm der watten spoedig wordt
vernietigd, en het geheel in eene gomachtige massa wordt ver-
anderd. Giet men dan het zuur af en bevochtigt het overblijvende
met eenige droppels jodium-tinctuur , dan wordt weldra de ge-
heele massa donker en fraai blaauw. Daaraan herkennen wij,
dat de cellulose onder die omstandigheden in zetmeel is veran-
derd. (Zie pag. 122.)