Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
300 Organische sloffen.
in liet spierweefsel der dieren wordt aangetroffen, cu die in vele
scheikundige opzigten met gestold eiwit overeen komt. Uit de
urine der vlceschctende dieren kan men een bijzonder kristalliseer-
baar zuur verkrijgen, uit die der plantetcnde weder een ander.
De kleurenpracht der bloemen wordt door kleurstoffen voortge-
bragt, de schadelijke werking van giftige gewassen door planten-
bases, de reukstoffen der dieren door vlugtige zuren enz. Men
geeft aan deze stoffen den algemccnen naam: nadere bestanddee-
len der planten cn dieren. Sommige daarvan komen iu alle levende
wezens voor, vele alleen in planten of alleen in dieren, anderen
slechts iu bepaalde familiën van planten of ook van dieren. Vele
daarvan kunnen in kristallen verkregen worden, even als de
anorganische stoffen, b. v. suiker, wijnsteenzuur cuz. doch bij
het mecrendccl is dat niet het geval.
Wat de natuur hier in de levende wezens voortbrengt, kunnen
wij door de kunst niet namaken, zoo als wij daartoe in de
anorganische scheikunde meestal volkomen in staat zijn. Uit welke
elementen cn in welke gewigtsverhouding de nadere bestanddeelen
der planten en dieren bestaan , is door ehemische ontledingen op
de. naauwkeurigste wijze uitgemaakt, maar het wederopbouwen
daai-uit is tot nog toe niet gelukt.
423. Gcr?tkorrels smaken meelachtig; laten wij ze kiemen, zoo
verkrijgen zij eenen zoeten smaak, en derhalve moet zieh gedu-
rende het kiemen een gedeelte van het zetmeel in suiker veran-
derd hebben. Dergelijke scheikundige veranderingen komen in
de geheele levende natuur voor, ja dikwijls zien wij ze nog ])laats
hebben, wanneer het leven reeds is uitgedoofd. Aardappelen b. v.
worden zoet, wanneer men ze laat bevriezen; maken wij een aftreksel
van gekiemde gerst met laauw water, dan kunnen wij met dit
vocht eene groote hoeveelheid zetmeel in suiker veranderen. Het-
geen hier door de levenswerkzaamheid, of onder aanwending van
koude of warmte plaats grijpt — de omzetting van de eene stof
iu dc andere — dat kan mm ook kunstmatig op velerlei wijze
nabootscu. Wij behoeven dit meel slechts eenigen tijd met water
en eenige droppels zwavelzuur te koken, om het geheel in suiker
tc veranderen. Datzelfde is met vele andere stoffen uit het
planten- cn dierenrijk het geval. Men is cr zelfs tegenwoordig
reeds tamelijk in gevorderd, om vele ligehamen, die in het orga-
nische rijk voorkomen, kunstmatig na te maken, niet alleen
uit dezelfde stoffen, waaruit zij ook gedurende het leven ontstaan,