Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Orgardsche stoffen,. 359
hij dc wonderen der dieren- en plantenwereld te voorschijn too-
vert, daarvan weten wij niets. Slechts hetgeen hij voortbrengt,
ligt onder het bereik onzer zinnen, even als hetgeen, waaruit
hij het voortbrengt.
421. Twee wegen staan den natuuronderzoeker open, waar
langs hij tot eene zekere diepte kan indringen in de geheimvolle
werkplaatsen der natuur: 1. de weg der waarneming, die, vooral
met behulp van het vergrootglas, tot eene zeer naauwkeurige
kennis van den bouw der planten en dieren en vau de gedaante-
veranderingen, die gedurende hun wasdom cn leven in de afzon-
derlijke organen plaats hebben, geleid heeft; 2. de weg van het
chemisch onderzoek, waarop de bestanddeelen van dieren en plan-
ten, hunne voedingsmiddelen en eenige gedurende hunnen groei
plaats hebbende stofwisselingen bepaald geworden zijn. Hetgeen
men langs deze twee wegen van de inwendige en uitwendige
veranderingen, welke de planten en dieren gedurende hun leven
ondergaan, heeft leeren kennen, wordt de Physiologie der planten
en dieren genoemd.
422. In de levende wezens vormen zich gedurende himnen
groei vele zelfstandige stoffen, die 'wij in vele gevallen reeds door
haar verschillend aanzien en smaak kunnen onderscheiden. De
druiven, de beetwortelen en vele andere vruchten en wortels
smaken zoet, zij bevatten suiker: de takken en bladeren van
den wijnstok smaken zuur, zij bevatten een zuur zout; die der
alsem bitter, zij bevatten eene eigendommelijke bittere stof; deze
laatsten hebben ook eenen sterken reuk, die door eene vlugtigc
olie veroorzaakt wordt. In de zaden onzer graansoorten en in
de aardappelen vinden wij een meelachtig ligchaam, het zet-
meel; in het raap- en lijnzaad een vettig sap, olie; de kersen-
en pruimboomen zwceten een kleverig sap uit, hetwelk zieh in
water oplost, het dennenhout een dergelijk, maar in water
onoplosbaar; wij noemen het eerste gom, het laatste hars. Iu
de eijeren komt eene opgeloste stof voor, die bij verhitting stolt
cn vast wordt, het bloed bevat eene andere die van zelf stolt,
wanneer het uit het ligchaam is verwijderd en eene dergelijke
vindt men in de melk. Uit de beenderen der dieren maken
wij lijm, uit hunne weefsels zonderen wij vetten af. Het
vleeseh onzer geslachte runderen is rood, het bevat bloed met
zijne eigendommelijke kleurstof, wasschen wij het met veel wa-
ter dan wordt het wit en wij houden eene stof over die overal