Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
358 Organische stoffen.
er hebben scheikundige ■werkingen plaats, waarbij weder nieuwe
stoffen worden gevormd, die thans eehter voor het leven niet
meer dienstig zijn en langs bepaalde wegen uit het ligehaam
moeten worden verwijderd , terwijl hare plaats door de opgenomen
voedsels wordt ingenomen.
Zoo is al het leven iu het rijk der planten en dieren verge-
zeld van en gebonden aan een aantal scheikundige werkingen cn
' deze houden zelfs met den dood dier levende wezens niet op.
Hunne ligehamen gaan tot verrotting over, er hebben andere
scheikundige wisselingen plaats, die eene tegenovergestelde rig-
ting hebben dan die, welke gedurende het leven plaats grepen.
Het ligehaam wordt afgebroken, vervalt in steeds meer eenvou-
dige stoffen en verdwijnt ten slotte tot op een weinig minerale
stoffen na uit onze oogen. Onder den invloed der lucht zijn zij
in gassen overgegaan, juist dezelfde, die straks wederom tot
voedsel voor de planten zullen dienen.
De krachten, welke deze tallooze veranderingen , deze stoffe-
lijke levensverschijnselen in de planten- en dierenwereld te voor-
schijn roepen , zijn dezelfde, die de oorzaken zijn der scheikun-
dige werkingen in de niet levende , anorganische natuur, want
het zijn dezelfde elementen, die de bouwstoffen zijn van de
levende en van de niet levende natuur. De krachten eehter,
die de Schepper in de elementen heeft nedergelegd, openbaren
hare werking in het dieren- en plantenrijk op eene wijze, die
geheel verschilt van die, waarop zij zich in het mineraalrijk
vertoonen. Welke hoogere krachten het zijn, die de schcikun.
dige werkingen beheerschen en haar in de levende natuui' die
eigendommelijke en geheel bijzondere rigting geven, waardoor zij
de verschijnselen van het stoffelijke leven te voorschijn roepen,
is ons geheel onbekend. Men heeft haar wel een bijzondcren
naam levenskracht gegeven, doch daardoor zijn wij niet tot meer-
dere kennis gekomen. Hare werking is zoo geheimvol, dat het
schijnt, alsof het gissen en vermoeden van den onderzoekenden
menschelijken geest hier beneden niet in aanschouwen zal over-
gaan. Wij gevoelen wel den adem van dien levensgeest in de
vreugde, die ons doordi'ingt, wanneer hij in de lente de knop-
pen doet ontluiken en de aarde in eenen lusthof vol bloemen
herschept; zoowel als in den weemoed, die ons vervult, wanneer
de verwelkende bladeren ons het afscheid van den zomer aan-
kondigen; maar vanwaar hij komt, en waarheen hij gaat, eu hoe