Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Smlten. 27
bicven, het water in het andere bakje echter warm geworden is;
de thermometer zal in het eerste bakje 0° , in het andere +79° C.
aanwijzen. Daar beide bakjes evenveel warmte van den oven ont-
vingen en straks dezelfde temperatuur hadden, zoo doet zich van
zelf de vraag op: waar zijn die 79 graden warmte gebleven , die
het met sneeuw gevulde bakje ontving ? Het antwoord hierop is:
zij zijn door de sneeuw opgeslorpt, en deze is daardoor in vloei-
'baren toestand overgegaan, zij is gesmolten.
Proef. In het bakje, dat het tot 79° verwarmde pond water
bevat, werpe men een pond sneeuw van 0° en onderzoeke weder
met den thermometer; deze zal weder op het vriespunt gezonken
zijn, zoodra al de sneeuw verdwenen is. De sneeuw heeft dus
ook hier aan het warme water 79° warmte onttrokken en is daarbij
vloeibaar geworden.
33. Proef. Deze warmte is geenszins vernietigd, zijns slechts
in het water verborgen (latent) en blijft zoolang in hetzelve, als
het vloeibaar blijft; zij wordt echter weder vrij of voelbaar, wan-
neer het water in den vasten toestand overgaat. Men neemt dit
zeer duidelijk waar, indien men op 3 lood gebranden kalk lood
water giet; de kalk zwelt op , wordt zeer heet en vervalt eindelijk
tot poeder. Wordt dit na het bekoelen gewogen , zoo is het 1 lood
in gewigt toegenomen; uit de 3 lood kalk zijn 4 lood kalkpoeder
(gebluschte kalk) geworden. Het ontbrekende ^ lood water is als
waterdamp verdwehen. Hetgeen de toeneming van gewigt be-
werkt heeft , kan slechts water zijn , dat zieh met kalk vereenigd
heeft; het kan verder slechts in eene vaste gedaante in den ge-
bluschten kalk aanwezig zijn, want deze is een geheel droog poe-
dervormig ligchaam. Wij zeggen: het water heeft zich met den
kalk chemisch verbonden , het werd daarbij vast en gaf bij het vast
worden, de warmte weder af, die het bij het smelten had opge-
slorpt. Dit verdwijnen van warmte heeft overal plaats, waar vaste
ligchamen vloeibaar worden; het vrij worden van warmte overal,
waar vloeibare ligchamen vast worden, en het blijkt hieruit zeer
eenvoudig , waarom de lueht steeds koel blijft, zoo lang de sneeuw
en het ijs in het voorjaar weg dooijen, en waarom de koude bij
het vallen van sneeuw minder wordt.
De warmte, welke men door het gevoel en den thermometer
waarneemt, noemt men vrije warmte, zij is slechts los aan de
ligchamen gehecht en ontwijkt bij het afkoelen weder van dezelve;
de niet waarneembare warmte daarentegen , waaraan de vloeibare